Fast Fashion: het resultaat van uitbuiting

16/11/2021

De meeste modemerken besteden de productie van hun kleding uit aan lage-inkomenslanden zoals Bangladesh. Daar worden de arbeiders blootgesteld aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden en lage lonen. Oxfam voert campagne om van deze bedrijven te eisen dat zij hun sociale rechten garanderen.

In april 2013 stortte in Bangladesh het Rana Plaza in. In het gebouw waren vijf kledingfabrieken ondergebracht en 1.138 mensen, voornamelijk vrouwen, lieten bij die ramp het leven. Na het drama beloofden de Bengalese overheid en de textielmultinationals die er hun kleren tegen spotprijzen lieten produceren om de veiligheid en de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Maar is daar iets van in huis gekomen? Acht jaar later deden we navraag bij 400 textielarbeidsters. 

De conclusies zijn verbijsterend en staan in een lijvig rapport onder de naam “Made in Poverty”: 9 op de 10 arbeidsters hebben te weinig middelen om hun gezin te voeden. Ze kunnen zich geen fatsoenlijke woning veroorloven en kunnen de schoolkosten van hun kinderen niet betalen. Geen enkele van de 400 vrouwen die we bevroegen, wil dat haar kinderen ooit in een textielfabriek gaat werken.

Een loon van 80 euro per maand

Chameli (foto) is een van de 5 miljoen textielarbeid(st)ers die door hun harde werk van Bangladesh de op een na grootste uitvoerder van kleding maken. Alleen China exporteert meer kleding. Chameli was pas elf toen ze in de textielindustrie begon te werken. Haar grootste droom is haar dochter te laten studeren om zo de armoedespiraal te doorbreken waarin haar familie vastzit. Maar voorlopig blijft dat een onbereikbare droom. “Ik verdien te weinig om mijn drie dochters naar school te kunnen sturen”, betreurt ze. 

Chameli brengt 11 uur per dag achter een naaimachine door. Ze stikt T-shirts, shorts en minirokjes voor een Australische winkelketen. “Ik verdien 80 euro per maand. Met mijn overuren erbij wordt dat 100 euro”, vertelt ze. Met een uurloon van 33 cent is dat het hoogst haalbare. 

Omdat ze er niet in slaagt om de eindjes aan elkaar te knopen, heeft ze van haar hart een steen moeten maken: haar oudste dochter van 14 werkt nu ook in een kledingfabriek.  

“Om leefbaar te zijn, zou het minimumloon volgens de vakbonden moeten worden opgetrokken tot 368 euro per maand”, zegt Mahmuda Sultana, advocacyverantwoordelijke voor Oxfam Bangladesh. “Dat is vier keer zoveel als wat de arbeidsters op dit moment gemiddeld verdienen. Na het drama van 2013 hebben veel merken inspanningen geleverd om de veiligheid in de ateliers te verbeteren en de minimumlonen van de slechtst betaalde arbeid(st)ers zijn toen verdubbeld”, geeft ze toe. Maar met de stijging van de levensduurte sinds 2013, vooral voor huisvesting, is dat maar een druppel op een hete plaat.

Vakbonden eisen betere lonen

De lage lonen zorgen er mee voor dat de textielindustrie erg winstgevend is. De sector zou naar schatting goed zijn voor een omzet van 3.000 miljard dollar. Maar de opbrengst van de kleding vloeit niet terug naar de arbeid(st)ers. Als een T-shirt voor 29 euro wordt verkocht, gaat 68 procent van de winst naar het merk. De fabriek in Bangladesh strijkt 4 procent op, terwijl het loon van de arbeid(st)er goed is voor amper 0,6 procent van het totaal. Er is dus marge genoeg om de arbeid(st)ers meer te betalen en erg winstgevend te blijven.

Dat kon Bindu (foto), die al 10 jaar in een textielatelier in de hoofdstad Dacca werkte, niet meer aanzien. Verontwaardigd over de overuren en het hongerloon riep ze samen met acht collega’s een vakbond in het leven. “Ik besefte dat onze bazen ons veel meer verschuldigd waren dan wat we verdienden en dat we niet meer betaald zouden krijgen als we ons niet organiseerden”, vertelt Bindu. De vakbond kon vrij snel uitpakken met een eerste overwinning: 150 arbeid(st)ers kregen hun overuren uitbetaald. Maar de intimidatie liet niet lang op zich wachten. 

In maart 2018 werd Bindu naar het kantoor van de algemeen directeur geroepen. “Hij zei dat ik een oproerkraaier was en heeft geprobeerd om me aan de deur te zetten, maar ik heb geweigerd om mijn ontslagbrief te tekenen.” Bindu is nog altijd lid van de vakbond en werkt nog in het atelier, maar de directie houdt alle werkne(e)m(st)ers die aan de actie deelnamen nauwlettend in het oog. 

Dankzij de druk van de vakbonden en van een aantal ngo’s, waaronder Oxfam, zijn er nu minder arbeid(st)ers nodig om een vakbond op te richten en is de voorafgaande toestemming van de fabrieksbaas niet langer nodig. Dat heeft geleid tot het ontstaan van 400 vakbonden over het hele land. Een hele stap vooruit, maar het verhaal van Bindu toont aan hoe sterk de vakbondsleden nog altijd worden tegengewerkt.

Zorgplicht van de multinationals

Het drama van het Rana Plaza heeft aangetoond hoe straffeloos multinationals kunnen werken. Tot nu toe hoeven ze gerechtelijk geen verantwoording af te leggen voor de sociale impact van hun activiteiten in andere landen dan waar hun hoofdzetel is gevestigd. Maar er komt schot in de zaak: zowel het Belgische als het Europees Parlement bestuderen een wetsvoorstel dat ondernemingen verantwoordelijk stelt voor de schendingen van de mensenrechten waar ze toe bijdragen. 

Als die wetteksten worden goedgekeurd, zou datvolgens de vakbonden en de ngo’s een grote stap vooruit zijn. Ook wij oefenen al jarenlang druk uit op de politieke wereld om de wetgeving in die zin aan te passen.  

"Hoewel het wetsvoorstel dat bij het Belgische parlement ligt niet perfect is, kan het een positieve impact hebben op het leven van miljoenen mensen. Het stelt slachtoffers in staat om de bedrijven waarvoor ze werken of hun onderaannemers voor de rechter te dagen," besluit Sarah Vaes, Advocacy Officer bij Oxfam België.

Download het rapport "Made in Poverty"

Icône PDFmade_in_poverty_the_true_price_of_fashion.pdf

Foto's: Fabeha Monir/Oxfam

Thema: