[Werken achter de muur van de schande]

Wereldwijd

21 oktober 2003

Werken achter de muur van de schande

Union of Agricultural Work Committees in Palestina

Khaled Hidmi is directeur van de Union of Agricultural Work Committees, een Palestijnse partnerorganisatie van Oxfam-Solidariteit en Oxfam-Wereldwinkels. Deze organisatie van boeren, boerinnen en vooral veel vrijwilligers, is ontstaat tijdens de eerste Intifada, de Palestijnse opstand tegen de Israëlische bezetting, die in december 1987 uitbrak.

“We zijn toen in uiterst moeilijke omstandigheden gestart in de dorpen,” zegt Khaled Hidmi. “Voor alles en nog wat hadden de boerengezinnen een vergunning nodig van het Isralische militaire bestuur. In de Palestijnse dorpen begonnen we te werken met een kern van tien tot twintig mensen. En al heel snel hadden we meer dan 85 landbouwcoperaties uitgebouwd. Wij gaven de boerengezinnen materile steun: zaaigoed en landbouwuitrusting. En we zorgden voor opleiding.”

Ontstaan tijdens de Intifada

“Tijdens de eerste Intifada besloot de nationale leiding van de opstand om alle Isralische producten op de Westelijke Jordaanoever, in Oost Jeruzalem en in de Gazastrook te boycotten. Wat we zelf konden produceren zouden we promoten. Isralische producten wilden we doelbewust boycotten, omdat de Isralische import de Palestijnse markt verstikte. Het was een doelbewuste politieke keuze. Tegelijk wilden we onze eigen landbouwproductie ontwikkelen: op de eerste plaats de productie van olijfolie, de groententeelt en de voedselproductie. Ons eerste en belangrijkste doel was tewerkstelling op het platteland. We wilden in de moeilijke jaren van de Intifada de huishoudelijke economie uitbouwen. In de dorpen hadden de gezinnen dringend nood aan een bijkomend inkomen. De bezetting confronteerde ons ook dagelijks met een bijzonder moeilijk probleem. Er werd steeds meer Palestijnse grond onteigend. En daar wilden we iets aan doen. De Israli’s onteigenen onze landbouwgronden omwille van veiligheidsredenen of om nieuwe militaire installaties of kolonies te bouwen. Grond die te lang braak blijft liggen, kunnen de Israli’s gemakkelijk onteigenen. Daarvoor hebben ze de nodige militaire decreten. Het kwam er dus voor ons op aan zo veel mogelijk grond te benutten voor de landbouw. We legden terrassen en landbouwwegen aan. We begonnen met de aanleg van nieuwe boomgaarden: olijfbomen, fruitbomen. We bouwden watercollectoren waarin het regenwater werd opgevangen. Zo kregen de gezinnen in de dorpen meer toegang tot water voor huishoudelijk gebruik (wassen, schoonmaken) en voor de irrigatie van de velden. We begonnen ook te experimenteren met de zuivering van regenwater, zodat de dorpen over veilig drinkwater zouden kunnen beschikken. De Palestijnen in de bezette gebieden blijven afhankelijk van de Isralische staatswatermaatschappij Mekorot. We moedigden de boeren aan om meer groenten te gaan kweken.”

Een beweging voor de vrouwen

Khaled Hidmi vertelt niet zonder trots dat zijn organisatie vanaf het begin steeds veel aandacht heeft besteed aan de rol van de vrouwen in de dorpen. We gaven de vrouwen een opleidinhg, zodat ze zelf eigen bedrijfjes konden opzetten om een extra inkomen te verdienen voor hun gezinnen. De vrouwen begonnen kruiden en groenten te telen en te verwerken. Ze kweekten kippen, konijnen en geiten. We gaven de boeren een opleiding zodat ze stilaan in staat zouden zijn kwaliteitsproducten af te leveren. Daarbij hadden we bijzondere aandacht voor de productie van extra virgin olijfolie. Die olie verkopen we vandaag via het internationale netwerk van de Fair Tradebeweging. We hebben zopas in Frankrijk een nieuw, direct verkoopskanaal kunnen oprichten.”

“De Union of Agricultural Work Committees (UAWC) heeft ook enorm veel inspanningen geleverd om de Palestijnse boeren aan te sporen om milieuvriendelijker te gaan werken,” zegt Khaled Hidmi. “De UAWC heeft altijd veel aandacht besteed aan bodembescherming, een rationeel waterbeheer. De biologische landbouw is voor ons echt een alternatief. We willen dat onze boeren zo veel mogelijk het gebruik van pesticiden en onkruidverdelgers vermijden.”

Tegen de landroof

“Het werk van de UAWC heeft een uiterst belangrijke politieke dimensie,” zegt dirtecteur Khaled Hidmi. “Wij willen op de eerste plaats beletten dat de Isralische bezetters ongestoord kunnen doorgaan met de onteigening van Palestijns land en waterbronnen. We willen voor de Palestijnen zo veel mogelijk jobs ter plaatse creren, zodat ze niet langer verplicht zijn om hun arbeidskracht in Isral te gaan verkopen.”

“Land dat 15 jaar onbewerkt blijft liggen, kan door de Isralische bezettingsmacht worden onteigend. Maar onteigeningen door militaire middelen komen nog het vaakst voor. Om kolonies te bouwen of uit te breiden, of om nieuwe militaire installaties in de bezette gebieden in te planten kan Palestijnse grond zonder meer worden geconfisqueerd. De Israli’s passen op dit vlak trouwens hun wetten en decreten regelmatig aan. Olijfbomen zijn voor de bezettingsmacht niet langer een landbouwactiviteit. De UAWC is actief op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. Ons hoofdkantoor is in Oost-Jeruzalem gevestigd. Voor de akkoorden van Oslo in 1993 waren contacten tussen deze Palestijnse gebieden relatief eenvoudig. Na Oslo is alles veranderd. Het grondgebied werd onderverdeeld in A-, B- en C-zones. De C-zone stond onder exclusieve controle van het Isralische leger en omvatte 60% van het grondgebied. De B-zone stond onder gemengde Isralisch-Palestijnse controle en besloeg 20% van het territorium en de A-zone (de Palestijnse autonome gebieden) komt overeen met 20% van het grondgebied. Voor de Palestijnen en de Israli’s was de C-zone van zeer groot belang. Voor ons was het uiterst moeilijk werken in deze zone. Voor al onze landbouwactiviteiten hadden we vergunningen van de Israli’s nodig. Het meeste werk dat we hier deden was dan ook illegaal. We begonnen akkers te bewerken, bomen te planten. De militairen en de kolonisten kwamen daarop alles weer verntielen. Het was een voortdurend conflict.”

50 jaar terug in de geschiedenis

“Na het begin van de tweede Intifada in september 2000,” zegt Khaled Hidmi, “was het gedaan met al deze zones. Het hele grondgebied werd opnieuw bezet. Maar de verschillende zones zijn vandaag volledig van elkaar gescheiden. De belangrijkste verbindingswegen op de Westelijke Jordaanoever zijn afgesloten en onderbroken door militaire controleposten. Wie wil rondreizen, moet sluipwegen gebruiken. Vroeger had je een uur tot anderhalfuur nodig om van Ramallah naar Jenin te reizen. Vandaag doe je er minstens zeven uur over. In sommige dorpen zijn hele straten afgesloten. Dorpen worden middendoor gesneden door de militairen. De mensen van de ene kant van het dorp kunnen de andere kant niet meer bereiken. Om zich te verplaatsen moeten vele Palestijnen opnieuw de ezel van stal halen. Met de auto rijden gaat niet langer. Eigenlijk hebben de Israli’s sinds september 2000 de Palestijnen weer 50 jaar terug in de geschiedenis geworpen. Alles is bij ons kapotgemaakt: de landbouw, de industrie, het onderwijs, de gezondheidszorg.”

Ontoegankelijke markten

“De Isralische producten overspoelen onze markten”, stelt Khaled Himdi vast. “Omgekeerd, kunnen Palestijnse producten niet of nauwelijks naar Isral worden uitgevoerd. In Isral heerst er op dit ogenblik een ernstige economische crisis. Landbouwproducten uit Gaza zijn voor de Israli’s spotgoedkoop. De laatste tijd zien we dan ook de export vanuit Gaza lichtjes stijgen. Maar intern in de bezette Palestijnse gebieden is de toestand catastrofaal. Gaza is volledig afgesloten van de rest van de Palestijnse gebieden. Vanuit de Westelijke Jordaanoever groenten, fruit of voedsel exporteren naar de Gazastrook (of omgekeerd) is onmogelijk. De Westelijke Jordaanoever is in meer dan 220 losse stukken gehakt. Groenten en fruit geraken niet eens meer op de lokale markten. Om van de ene naar de andere stad of dorp te rijden zijn de boeren met hun waren soms vijf tot zes uur onderweg. Voedsel, groenten en fruit kunnen zo’n lange transporten niet aan. Alles rot weg onderweg of verdort. De Palestijnse producenten van olijfolie zitten in zak en as. Al twee, drie jaar kunnen ze hun olie nergens meer kwijt. Ze slaan hun voorraad dan maar noodgedwongen op. Maar na verloop van tijd wordt deze kwaliteitsolie waardeloos. Ze is niet langer voor consumptie geschikt. Daarom wil de UAWC een ruimere markt veroveren. Wij mikken daarbij vooral op Europa, want ook de Arabische markten blijven voor ons zo goed als ontoegankelijk. Het transport van Palestijnse olijfolie naar het buurland Jordani is voor ons onbetaalbaar en riskant. Niemand kan ons garanderen dat de Israli’s onze transporten de toestemming geven om de grens over te steken.”

De apartheidsmuur

“En vandaag staan we toe te kijken hoe de Israli’s de muur van de apartheid aan het bouwen zijn,” zegt Khaled Himdi. Deze muur, die de Westelijke Jordaanoever moet scheiden van de staat Isral moet 650 kilometer lang worden. De muur wordt niet op de groene lijn gebouwd (de grens van 1948), maar snijdt op sommige plaatsen tot 6 en zelfs 16 kilometer door tot op het Palestijnse grondgebied. De kostprijs wordt geraamd op 2,2 miljoen euro per kilometer. “Voor de bouw van deze muur wordt nog eens 12% van het Palestijnse grondgebied onteigend. De velden van sommige dorpen worden letterlijk doormidden gesneden. Opnieuw worden er op grote schaal bomen ontworteld. Sommige van deze olijfbomen stammen nog uit de Romeinse tijd. De Israli’s transporteren deze zeldzame exemplaren gewoon naar Isral, waar ze opnieuw worden geplant. Veel akkers worden onteigend, irrigatiesystemen van de plaatselijke boeren zijn voor de muur vernietigd. Groentenvelden zijn verwoest. In bepaalde dorpen moesten de stallen voor het vee worden afgebroken. Vooral de boeren lijden zwaar onder de bouw van deze apartheidsmuur. Heel wat waterbronnen en pompen zijn kapotgemaakt voor de aanleg van de muur. Voor sommige boeren wordt het voortaan onmogelijk hun land te bevloeien. Een deel van hun grond ligt aan deze kant, een ander deel aan de andere kant van de muur. Op bepaalde plaatsen zijn er deuren voorzien in de muur. Maar de vraag is of de boeren deze doorgangen zullen mogen gebruiken. Ze zullen in ieder geval volledig afhankelijk zijn van de willekeur van de Isralische militairen, die beslissen of ze naar hun velden kunnen aan de andere van de muur of niet. Een boer die zijn onteigend land verder wil bewerken heeft daarvoor een bijzondere vergunning van de militaire overheid nodig… De internationale gemeenschap moet de Israli’s dwingen om te stoppen met de bouw van deze muur. De muur van de schande moet worden gesloopt.”

 
 

Acties en projecten in bezet Palestijns gebied

 

Partners in bezet Palestijns gebied