Waardig werk: tussen hoop en frustratie

Aan de ene kant, Rudi Delarue, directeur van het Verbindingsbureau van de ILO in Brussel. Aan de andere kant, Dae-oup Chang, onderzoeker rond arbeid in Azië. Twee experten, twee visies. Maar één strijd: waardig werk. Een dubbelinterview.
Welke vooruitgang is er de laatste jaren rond waardig werk geboekt?
Rudi Delarue: Op internationaal niveau heeft waardig werk zeker aan belang gewonnen. Het aantal landen dat de conventies van de ILO ondertekend heeft, waaronder ook de grote opkomende economieën, blijft toenemen en er worden ook meer inspanningen geleverd om de conventies na te komen. In 2008 werd waardig werk geïntegreerd in de eerste Millenniumdoelstelling en in 2005 heeft de Algemene Vergadering van de VN haar leden officieel aangespoord om waardig werk op te nemen in hun ontwikkelingsstrategie.
Dat is een belangrijke evolutie. Arbeid werd tot dan totaal genegeerd in de ontwikkelingssamenwerking en in de acties op het terrein. Europa beperkte zich tot het versterken van het onderwijs, het verbeteren van de toegang tot water, geneesmiddelen, gezondheidszorg… Alsof waardig werk de landen in het Zuiden niet aanbelangt! Er veranderen wel dingen op dat niveau, maar er is nog heel wat werk aan de winkel. Arbeid is bijvoorbeeld nog altijd geen prioriteit in het Belgische ontwikkelingsbeleid.
Dae-oup Chang: De politieke bewustwording is zeker een stap vooruit. Spijtig genoeg heeft dit buiten op de ergste uitbuitingen, maar een beperkte impact op het terrein. Het probleem is dat het beleid van de internationale instellingen de macht van de werknemers niet versterkt en de actuele ontwikkelingsmodellen en de dominantie van kapitaal ten opzichte van arbeid niet in vraag stellen. Dat zijn de structurele problemen die aan de oorzaak liggen van onwaardig werk in de wereld. Het beleid van de internationale instellingen kan dus niet veel beginnen tegen fenomenen zoals flexibiliteit en informele arbeid die niet onder de controle van de staat of ondernemingen vallen. Alleen een sterke, georganiseerde arbeidersbeweging die druk uitoefent op de overheid kan hierop een antwoord bieden.
Wat zijn vandaag de belangrijkste hindernissen voor waardig werk?
R.D.: Een van de grootste obstakels op politiek niveau is de onbekwaamheid van de staten om hun engagementen om te zetten in de praktijk. Eenmaal wanneer de overheden de conventies van de ILO ondertekend hebben of sociale maatregelen goedgekeurd hebben, moeten ze die beslissing ook toepassen in de praktijk. En een van de grote problemen in ontwikkelingslanden is zonder twijfel de zwakheid van de staat. Dit is het resultaat van twee decennia politieke druk van de verdedigers van het ongebreidelde liberalisme, in vele landen vaak gesteund door het beleid van de Wereldbank en het IMF.
In hun visie is alles wat van de staat komt slecht: minder overheid voor meer markt. Dat heeft de publieke instellingen erg verzwakt, ook het ministerie van Arbeid, de arbeidsinspectie, de sociale zekerheid… Hoewel de dingen vandaag positief evolueren, de ILO wordt meer en meer geconsulteerd door staten en internationale instellingen, blijft deze verzwakking zware gevolgen hebben voor de strijd voor waardig werk.
D.C.: De verantwoordelijkheid hiervan ligt ook bij de overheden zelf. Zij concurreren met elkaar om investeringen aan te trekken, zij openen en dereguleren hun markten, waardoor ze elke hoop op betere levensomstandigheden voor arbeiders de kop indrukken. Dit houdt ook verband met een gebrek aan democratie. Vaak wordt de stem van de arbeiders in het Zuiden niet gehoord, zowel op het beleidsniveau als in de bedrijven. Vele arbeiders kunnen zich niet organiseren omdat dit verboden is of omdat hun werk dit niet toelaat, zoals in de informele economie.
Zoals in vele andere regio’s blijft in Azië de democratisering beperkt tot een liberalisering van de markt, wat voor een onevenwicht zorgt tussen arbeid en kapitaal.
Welke rol spelen internationale investeringen hierin?
D.C.: Die investeringen hebben totaal tegenstrijdige effecten. Ze zorgen wel degelijk voor een stijging in het aantal arbeidsplaatsen – zoals de Wereldbank, het IMF, multinationals en de overheden zo graag benadrukken – maar ze bedreigen tegelijkertijd traditionele arbeidssectoren zoals de landbouw. Dat heeft een negatief effect op de autonomie van de bevolking die meer en meer afhangt van de markt om te overleven.
De grote mobiliteit van investeringen zorgt bovendien voor een stijgende informalisering van arbeid: meer tijdelijke contracten, onderaanbestedingen… Deze informalisering is een blijvend kenmerk van ons economisch systeem geworden. Aangezien het kapitaal op elk moment kan vertrekken zijn de inkomsten van de werknemers niet langer verzekerd en wordt het moeilijk om een duurzame ontwikkeling te garanderen.
Eenmaal een staat zich wil ‘ontwikkelen’ met buitenlandse investeringen, heeft ze geen andere keuze meer dan het spel mee te spelen. Om aantrekkelijk te blijven moet ze de concurrentie op het gebied van lonen en fiscaliteit aan gaan. Het is de weg van de race-to-the-bottom.
R.D.: De mobiliteit van kapitaal is een grote uitdaging en vraagt om een regionale en mondiale harmonisatie van de economische, financiële en sociale voorwaarden. De Europese Unie doet dit bijvoorbeeld door aan minimumnormen te werken rond fiscaliteit en arbeids- en milieuvoorwaarden. Maar de unanimiteitsregel maakt het moeilijk om vooruitgang te boeken…
De associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN) heeft ook een sociale agenda ontwikkeld. Het is duidelijk dat door het ontstaan van mondiale productieketens en onderaannemingen vele werknemers erg te leiden hebben onder de gevolgen van een systeem waarin bestellingen altijd sneller moeten geleverd worden en er altijd een zo laag mogelijke prijs moet verzekerd worden. Dat zorgt voor problemen rond veiligheid, lonen, uren, stress, werkonzekerheid of het niet respecteren van de sociale dialoog…
Dit is ook in Europa het geval, waar we een duidelijke stijging vaststellen van kwetsbare arbeidsstatuten. Vandaar het belang van een sterke regionale samenwerking.
Wie zijn de grootste slachtoffers van onwaardig werk?
R.D.: De meest kwetsbare arbeiders zoals migranten, mensen zonder papieren, zij die het recht hebben om ergens te wonen maar niet te werken… En vrouwen. In vele landen zitten zij nog steeds in een kwetsbare positie op het vlak van arbeid. Heel weinig landen hebben bijvoorbeeld maatregelen genomen rond zwangerschapsverlof of kinderopvang. We zien dat op een arbeidsmarkt waar er specifieke rechten en ondersteuningen bestaan om het privé-leven met het beroepsleven te combineren, vrouwen er veel beter voorstaan, zelfs wanneer ze minder betaald worden.
D.C.: Eigenlijk staan alle werknemers voor dezelfde uitdagingen. Maar de meest kwetsbare zijn de werkers in de informele economie die de overgrote meerderheid vormen van de werkers in het Zuiden. Deze niet-gereguleerde informele economie biedt geen enkele wettelijke of syndicale bescherming en wordt gekenmerkt door het grote aantal vrouwen die er in werken. Het verst verwijderd van waardig werk zijn migrantenvrouwen die in de informele economie werken.
Welke rol kan Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (CSR) spelen?
R.D.: Bedrijven zijn de sleutelactoren geworden in de strijd voor waardig werk. Het feit dat zij beslissen hun sociale verantwoordelijkheid uit te breiden is heel belangrijk. Het is in hun eigen belang. Bedrijven vragen mij om documenten die het bewijs leveren dat ze de verdragen over het sociale beleid en multinationals van de ILO respecteren. We geven die certificaten niet, maar het is een teken dat er rekening mee gehouden wordt dankzij de druk van de consumenten. Nederland gaat zelf nog verder: bedrijven die publieke aanbestedingen uitvoeren zijn verplicht om de fundamentele sociale rechten in hun productieketen te respecteren.
CSR kan dus een sterk en nuttig instrument zijn en publieke acties aanvullen, op voorwaarde dat de sociale partners erbij betrokken zijn en dat alle internationale normen van waardig werk erin geïntegreerd zijn, zoals voorgesteld in de verklaring van de ILO. Maar het mag zich in geen geval onttrekken aan de nationale regels en arbeidscontroles. Daar moeten we heel duidelijk in zijn. En het is niet omdat de staat zwak is dat dit overgelaten moet worden aan de markt.
D.C.: In mijn ogen is CSR een mooi voorbeeld van de race-to-the-bottom. Het is onder druk van de bedrijven en investeringen dat de regelgeving rond arbeid – beschouwd als obstakels voor de markt – uitgehold wordt. Multinationals proberen een goed figuur te slaan door een gedragscode te ontwikkelen. Ik was al bij meerdere initiatieven van CSR betrokken en ik kan u zeggen dat heel weinig bedrijven het echt serieus menen. Er bestaan meestal geen afdwingbare mechanismen of sancties.
In realiteit gaat het om een privatisering van de arbeidsrechten die ingaat tegen het natuurlijke beleid van waardig werk. Als CSR dan al positieve effecten heeft binnen een bedrijf, draagt het niet bij tot het versterken van de arbeidersbeweging. Er zijn dus individuele “success stories”, maar weinig resultaten die verder gaan dan dat.
Wat zijn de prioriteiten in de strijd voor waardig werk?
D.C.: Overal in de wereld stellen werknemers vast dat ze dezelfde problemen delen. De vakbondsbeweging moet zichzelf dus heruitvinden, allianties oprichten en een echte kracht voor verandering worden. We moeten de overheden overtuigen een ander ontwikkelingsmodel toe te passen op regionaal niveau.
Ik denk dat er drie types solidariteit nodig zijn:
solidariteit tussen de vakbondsbewegingen van verschillende landen
tussen arbeiders in de formele en informele economie
tussen vakbonden en andere sociale bewegingen.
Op die drie terreinen wordt er vooruitgang geboekt in Azië. Dat is een bemoedigend signaal.
R.D.: Dat de ‘Waardig Werk-campagne’ in België gedragen wordt door een coalitie van ngo’s en vakbonden is uniek en heel belangrijk. Het is de weg die we moeten volgen om van waardig werk een prioriteit te maken in de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De internationale politiek moet absoluut de capaciteit van de staat versterken om de voorwaarden voor waardig werk te kunnen verzekeren.
Het feit dat de helft van de wereldbevolking geen enkele sociale bescherming heeft, is dramatisch, maar ook gevaarlijk. Landen zoals China, India of Brazilië beseffen maar al te goed dat ze het risico lopen op stabiliteitsproblemen als ze geen sociale zekerheid uitbouwen. Wie hier niet in investeert, zelfs met beperkte middelen, veroordeelt zichzelf tot een crisis. Dat zien we vandaag heel duidelijk…
Hoe groot is de impact van de crisis op de werknemers?
R.D.: Het verlies aan arbeidsplaatsen is overal dramatisch, maar heeft een grotere impact in de ontwikkelingslanden. Mensen zonder sociale zekerheid die ontslagen worden, komen onvermijdelijk in de problemen. Het besef groeit dat alle aspecten van waardig werk vervuld moeten zijn, ook de sociale zekerheid. De meeste landen begrijpen dat het om een investering gaat die sociale en economische stabiliteit brengt. De hervorming van het financiële systeem en het beleid van de Wereldbank en het IMF moeten absoluut een grote plaats geven aan het sociale aspect. Dat heeft de crisis ons wel duidelijk gemaakt.
D.C.: Alleen al in China zijn 24 miljoen werkers de laatste maanden op straat beland. Ze keren terug naar hun dorpen op het platteland die ze verlaten hadden door het gebrek aan werk, grond of levensmiddelen. Dat fenomeen zien we overal in Azië. De crisis zal zonder twijfel de sociale spanningen verhogen en ik hoop dat ook bepaalde ontwikkelingsmodellen in vraag zullen gesteld worden.
De crisis kan ook gevolgen hebben voor de vakbondsbeweging. Vele gemarginaliseerde arbeiders mobiliseren zich, willen van zich laten horen en dwingen de traditionele vakbonden hun basis te verbreden en hun nationale en internationale solidariteit te versterken. Die solidariteit is het beste antwoord op de crisis.
Frédéric Janssens
De interviews werden apart afgenomen in april 2009.
Rudi Delarue is directeur van het Verbindingsbureau van de ILO in Brussel, en is verantwoordelijk voor de relaties tussen de EU en de landen van de Benelux. Nadat hij een diploma rechten en Europese studies behaalde, werd hij adviseur bij de studiedienst van de Algemene Christelijke Vakbond (ACV), vervolgens hoofdambtenaar op de DG Arbeid, Sociale Zaken en Gelijkheid van kansen van de Europese Commissie.
Dae-oup Chang studeerde Oriental and African Studies aan de Universiteit van Londen. Als doctor in de sociologie werd hij onderzoeker bij het Centre of Asian Studies (Universiteit van Hong Kong) en onderzoekscoördinator van het Asia Monitor Resource Centre. Hij heeft verschillende artikelen en werkstukken geschreven over arbeid en de vakbondsbeweging in Azië.
Meer info:
Lees alles over het thema Waardig Werk in het Oxfammagazine Globo van juni 2009: STOP! Werknemers zijn geen gereedschap.


Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
