Wereldhandelsorganisatie

17 augustus 2005

WTO en de inzet voor Hongkong

Van 13 tot 18 december vindt in Hongkong de zesde Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) plaats. Bedoeling is een doorbraak te realiseren in de Doharonde, vooral met betrekking tot de markttoegang voor diensten, landbouwproducten en niet-landbouwproducten. Vakbonden, ngo’s en sociale organiseerden publiceerden een platformtekst.

Handel in dienst van duurzame ontwikkeling. Niet omgekeerd. Platformtekst van juni 2005

Van 13 tot 18 december vindt in Hongkong de zesde Ministerile Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) plaats. Bedoeling is een doorbraak te realiseren in de Doharonde, vooral met betrekking tot de markttoegang voor diensten, landbouwproducten en niet-landbouwproducten. De Algemene Raad van de WTO houdt van 27 tot 29 juli een belangrijke bespreking over de inzet van de Hongkong-conferentie.

Een breed samenwerkingsverband (1) van vakbonden, van organisaties en bewegingen binnen de civiele samenleving roept op tot bezinning over de rol die de Wereldhandelsorganisatie (WTO) speelt in de wereldorde van de 21ste eeuw. De WTO is n van de belangrijkste drijvende krachten achter een onrechtvaardige globalisering waarin de ongelijkheid toeneemt. Dit wordt ook erkend in het rapport A Fair Globalization: Creating Opportunities for All’, uitgebracht in februari 2004 door de Wereldcommissie over de Sociale Dimensie van Globalisering, een onafhankelijke en representatieve werkgroep opgericht door de IAO in 2002.

De WTO terug op haar plaats zetten

De centrale boodschap van het samenwerkingsverband is dat de WTO en de handelsliberalisering terug op hun plaats moeten gezet worden: niet voor maar na sociale, milieu- en ontwikkelingsbekommernissen. Onderstaande organisaties roepen de Belgische regering op te ijveren voor een chte trendbreuk in de huidige neoliberale globalisering. Een mondialisering die mr ongelijkheid genereert tussen en in landen, die niet zorgt voor de creatie van kwaliteitsvolle tewerkstelling voor het merendeel van de wereldbevolking en die economische regels laat primeren boven sociale en ecologische normen, is een mondialisering die niet kan en die anders moet.

De werkelijkheid spreekt het adagio van de WTO tegen dat liberalisering de rechte weg is naar evenwichtige groei en welvaart. Het proces van vrijmaking van de wereldeconomie, zoals zich dat nu afspeelt, wordt immers gekenmerkt door een meedogenloze concurrentie waarin landen, regeringen, publieke instanties, bevolking en werknemers systematisch en op alle vlakken tegen elkaar worden uitgespeeld. Sociale bescherming, loon- en arbeidsvoorwaarden, levenskwaliteit en overheidssturing om publieke belangen, volksgezondheid, onderwijs, milieu of dierenwelzijn te beschermen of te bevorderen, zijn de dupe van deze oneerlijke competitie. Men bouwt geen economisch paradijs op een sociaal, ecologisch, cultureel en politiek kerkhof.

Handelsverstorend

De WTO heeft alleen oog voor het opheffen van handelsbelemmeringen en houdt processen van sociale en ecologische dumping in stand. Regeringen die niet-commercile belangen proberen voorrang te geven, worden door WTO-disciplines aan banden gelegd. Daarbij valt het op dat de liberaliseringsmaatregelen die in de WTO ter tafel liggen steeds verder binnendringen in de organisatie van de economie en de maatschappij en dat deze maatregelen steeds meer wegen op de mogelijkheid van overheden om regulerend op te treden. Dit is het duidelijkst in de GATS-onderhandelingen, omdat de liberalisering van de dienstenhandel niet verloopt via het verminderen van tarieven en het verruimen van quota, maar via de wijziging van de regelgeving die de levering van diensten reglementeert.

Maar ook in de onderhandelingen rond de landbouw en meer nog rond de niet-landbouwproducten (NAMA: industrile producten, visserij, bosbouw en mijnbouw) verschuift de aandacht meer en meer naar het inperken van de binnenlandse regelgeving waardoor allerlei voorzorgsmaatregelen voor sociale bescherming en ter bescherming van gezondheid, milieu, hygine, veiligheid meer en meer aanzien worden als “handelsverstorend”.

Liberalisering van de handel wordt zo een verhaal zonder einde: telkens als de ene “handelsbelemmering” geslecht is, komt een andere in het vizier, en wordt handelsliberalisering alsmaar sterker als organiserend principe in de maatschappij.

Een breed debat

Het is duidelijk dat door deze tendens sociale, milieu en ontwikkelingsbekommernissen meer dan ooit een centrale plaats innemen in het debat over “handel”, ook al staan zij niet (hoog) op de WTO-agenda. Het is eveneens duidelijk dat “handel” niet langer het bevoorrechte terrein mag zijn van vertegenwoordigers van de landbouw, de industrie en de handel en van handelsjuristen en diplomaten, maar het voorwerp moet zijn van een breed debat, ruime consultatie en inspraak en dat de bevoegde overheden vl meer inspanningen moeten doen om de handelsproblematiek en haar implicaties grondig te bestuderen en ter discussie te leggen. Nu worden het handelsbeleid en de internationale onderhandelingen vooral door de industrile belangen bepaald.

Ondanks haar democratische faade (n land, n stem), en ondanks de coptatie van sommige ontwikkelingslanden wordt de WTO nog steeds beheerst door de rijke industrielanden. Via de WTO leggen zij ontwikkelingslanden een ontwikkelingsmodel op dat noch aangepast noch duurzaam is. Dit leidt tot handelsakkoorden die de belangen van de industrielanden in het Noorden dienen, ten koste van de belangen van de meerderheid van de WTO-leden. Dit is noch zinvol, noch duurzaam, noch democratisch.

De besluitvormingsprocessen in de WTO moeten herzien worden om ze doorzichtiger te maken en een rele participatie toe te laten van alle lidstaten. Er moet tevens een grondige evaluatie komen van de gevolgen van sociale en ecologische dumping en van de economische, sociale, gender-, culturele en milieu-impact van het WTO-beleid, met oog op een herorintering ervan.

Binnen de VN

De ondertekenende organisaties vinden dat het gehele concept van de WTO en zijn rol in de global governance’ moet herbekeken worden. De WTO moet gentegreerd worden in de Verenigde Naties. Er dient een overlegstructuur gebouwd te worden tussen de WTO en de sociale- en milieu expertagentschappen van de Verenigde Naties (IAO, WGO, UNEP, FAO, UNDP, UNESCO,...) waarbij deze laatste niet langer het zwakke broertje zijn van de WTO, het IMF en de Wereldbank maar daarentegen het sociale, ecologische en maatschappelijke kader aanreiken waarbinnen de wereldeconomie zich moet ontwikkelen.

Het geheel moet overkoepeld worden door een sociale en economische veiligheidsraad binnen de VN waarin alle regio’s vertegenwoordigd zijn. Als grondbeginselen gelden de naleving van internationale conventies over milieu, de mensenrechten en de economische, sociale en culturele rechten, met inbegrip van de fundamentele arbeidsrechten.

Aanzetten tot verandering

- Sociale aspecten staan niet op de onderhandelingsagenda van Doha. De creatie van kwaliteitsvol werk (werkgelegenheid, rechten op het werk inclusief de fundamentele arbeidsrechten, sociale dialoog en sociale bescherming) is nochtans fundamenteel voor het bereiken van een rechtvaardige globalisering waarbij ontwikkeling duurzaam is en armoede uitgeroeid wordt. Kwaliteitsvol werk moet dan ook prioritair zijn in het globaliseringsproces.

Het internationale handelssysteem moet bijdragen tot de creatie van kwaliteitsvol werk en niet langer de jobs van miljoenen werknemers op de helling zetten, doordat multinationals dreigen om hun productie te verplaatsen naar waar werknemersrechten ontkend worden en arbeid goedkoop is. Schendingen van arbeidsrechten (onder meer in vrijhandelszones) en sociale dumpingpraktijken zijn onaanvaardbaar en niet bevorderlijk voor de ontwikkeling op lange termijn. Om dit te realiseren moet er een sterke cordinatie tot stand komen tussen de WTO en de Internationale Arbeidsorganisatie waarbij beide instellingen op gelijke voet komen te staan.

- Milieuaspecten. In de ministerile verklaring van Doha werden milieuaspecten voor het eerst als een apart onderhandelingspunt opgenomen. De onderhandelingsagenda hierover blijft echter uiterst beperkt en de tekst is dubbelzinnig. Om het milieu te beschermen tegen de negatieve effecten van vrijhandel, moet de WTO zich in de eerste plaats schikken naar de multilaterale milieuakkoorden en moeten er inspanningen geleverd worden om tot sterkere multilaterale milieuakkoorden te komen. Milieu- en gezondheidsbescherming via toepassing van het voorzorgsprincipe en van product- en procesnormen, mag niet langer als handelsbelemmerend worden beschouwd door de WTO.

- Ontwikkelingsthema’s staan wel duidelijk op de agenda van de WTO. Ontwikkelingslanden hebben ze daar geplaatst: transparantie en inspraak, operationalisering van de “bijzondere en gedifferentieerde behandeling”, oplossing van de uitvoeringsproblemen van de bestaande akkoorden zoals de toegang tot medicijnen. Stuk voor stuk dossiers die het onevenwicht van de Uruguay Ronde willen rechtzetten. Maar industrielanden laten ze aanslepen, om ze als pasmunt of als instrumenten voor hun eigen agenda te kunnen gebruiken, in het bijzonder voor de uitbreiding van de WTO-bevoegdheden. Dit moet stoppen: er moet een belangrijke doorbraak in deze dossiers komen

Meer transparantie Er is een grote nood aan meer democratie en transparantie in de beslissingsprocessen en procedures van de WTO. Dit impliceert ook dat er een einde moet gesteld worden aan de verwarring tussen de wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke bevoegdheden van de WTO, aan de praktijk van geheimhouding in het functioneren van de meeste WTO-organen, aan de praktijk van de “Green Room” en de “mini-ministerile conferenties” en aan de schijndemocratie die berust op de methode van de impliciete consensus.

Een hervorming van de geschillenregeling binnen de WTO is noodzakelijk. De geschillenpanels en hearings van het beroepsorgaan moeten opengesteld worden voor het publiek, ontwikkelingslanden moeten gemakkelijker toegang krijgen tot de geschillenregeling. En de VN-agentschappen die bevoegd zijn op vlak van gezondheidszorg, arbeid en milieu moeten een rol krijgen in de panels.

Op het Europees niveau moet het onderhandelingsmandaat van de Europese Commissie onderworpen worden aan de instemming en het toezicht van het Europees parlement en getoetst worden aan een ruim publiek debat.

Belgi zou actiever moeten deelnemen aan de Europese besluitvorming, en zou concrete standpunten moeten formuleren op basis van overleg met het parlement en de verschillende actoren van de civiele maatschappij: vakbonden, werkgevers, ngo’s, verenigingen. Deze standpunten moeten publiek toegankelijk gemaakt worden. Daarnaast zou het parlement jaarlijks een dwingend rapport moeten opstellen over het Belgische WTO-beleid.

Een bottom-up’ aanpak

Van de onderhandelingen over de liberalisering van diensten (GATS) moeten openbare diensten en diensten van algemeen belang uitgesloten worden. Deze diensten moeten ten volle en zonder druk van privatisering of deregulering hun rol kunnen blijven spelen op sociaal, milieu en economisch vlak. De regulerende capaciteit van overheden en publieke instanties mag niet ondermijnd worden door de priv-sector via WTO-disciplines. Gats moet ook toelaten dat democratisch verkozen overheden kunnen terugkomen op een liberaliseringsmaatregel waarvan ze vaststellen dat die desastreuze gevolgen heeft, en dit na een redelijke termijn, maar zonder dat hiervoor een prijs moet betaald worden.

Gezien het belang van de financile sector in de economische ontwikkeling en stabiliteit moet liberalisering in deze sector met de grootste omzichtigheid behandeld worden. De bottom-up’ aanpak van de Gats-onderhandelingen moet behouden blijven: WTO-leden mogen niet via het vastleggen van benchmarks’ verplicht worden om liberaliseringen te ondernemen.

Het respect voor internationale arbeidsnormen, voor het nationale arbeidsrecht en voor bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten per sector is bepalend voor de onderhandelingen over Modus 4 van GATS (de handel in diensten via tijdelijke migratie van werknemers en zelfstandige dienstenverstrekkers). De gemmigreerde werknemers moeten bovendien beschermd worden tegen elke vorm van discriminatie en ook de overdracht van hun bijdragen aan de sociale zekerheid en aan verzekeringsschema’s moet beschermd worden. Hierbij mag niet vergeten worden dat tijdelijke migratie ook omvangrijke familiale gevolgen heeft voor betrokken families, en dat misbruiken bij tijdelijke migratie uitermate moeilijk te controleren zijn. Het ligt trouwens niet binnen de bevoegdheid van de WTO om deze migratiestromen te reglementeren.

Landbouw zonder dumping

Het moeilijkste stuk van de Doharonde blijven landbouwonderhandelingen. Door de liberalisering van de landbouwmarkten en de exportsubsidies in vele industrielanden dringt zich meer en meer een exportgericht landbouwmodel op. Dit ligt aan de basis van lage landbouwprijzen, die niet meer representatief zijn voor de productieve en sociale realiteit van de meerderheid van de boer(inn)en. Vaak leiden ze zelfs naar een vernietiging van familiale landbouwbedrijven en andere jobs in de landbouwsector.

Vanuit een perspectief van voedselsoevereiniteit is landbouwondersteuning, toegekend op basis van de rechten en de verwachtingen van de bevolking en op basis van duurzame ontwikkelingsdoelstellingen, legitiem, op voorwaarde dat zij niet dient om de export te bevorderen. Niet alleen rechtstreekse maar ook onrechtstreekse exportondersteuning, die tot dumpingpraktijken leidt, moeten worden afgeschaft. De keuze van de overige ondersteuningsmaatregelen moet een nationale/regionale bevoegdheid blijven en moet de duurzame rurale ontwikkeling ondersteunen door de bestrijding van rurale armoede, het recht op voedselzekerheid, het behoud van familiale landbouw, de steun aan de lokale economie, de verbetering van arbeidsvoorwaarden, de bevordering van de ecologische duurzaamheid en de promotie van dierenwelzijn.

Om dit te bereiken, moeten landen - en in het bijzonder ontwikkelingslanden - de mogelijkheid hebben hun markten te reguleren via prijsondersteuning, aanbodbeheersing maar ook via importbeperkende maatregelen zoals heffingen en kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen om zich tegen alle vormen van dumping en goedkope invoer te verdedigen. Hulp aangeboden door rijke landen via preferentile handelsakkoorden moet steunen op een gereguleerde en gecontingenteerde markttoegang om lonende prijzen te behouden en om een duurzaam landbouwbeleid in Noord en Zuid te ondersteunen. Er moeten sluitende internationale afspraken gemaakt worden rond productiebeheersing (o.m. rond quota) om overproductie en de ineenstorting van prijzen tegen te gaan.

Invoertarieven en arbeidsrechten

Markttoegang voor niet-landbouwproducten (NAMA) is een onderwerp dat de industrielanden op de agenda hebben geplaatst. Het drastisch afbouwen van invoertarieven, zoals door verschillende industrielanden wordt voorgesteld, zal het de ontwikkelingslanden onmogelijk maken hun zwakkere industrien en hun handelsbalans te beschermen en de eigen doelstellingen van binnenlandse industrile ontwikkeling na te streven. Bovendien zal de verdere liberalisering van de handel in visserij-, bos- en mijnbouwproducten leiden tot meer overexploitatie van deze natuurlijke rijkdommen.

Ook de voorgestelde afbouw van de zogenaamde niet-tarifaire handelsbelemmeringen kan verstrekkende gevolgen hebben. Vele van deze maatregelen worden immers gebruikt als instrument om terechte ecologische en sociale doelstellingen te realiseren. De afbouw daarvan zal dan ook deze doelstellingen ondermijnen. Vooraleer de onderhandelingen worden verder gezet, moet er eerst een grondige evaluatie komen van de impact van de voorgestelde maatregelen. Tegelijkertijd moet vooruitgang worden geboekt in het respecteren van fundamentele werknemersrechten, zodat werknemers in ontwikkelingslanden ook de voordelen kunnen genieten van een verbeterde markttoegang.

Toegang tot geneesmiddelen

De problemen rond de toegang tot essentile geneesmiddelen hebben de controverse rond het TRIPS-akkoord nog doen toenemen. Aangenomen onder druk van de farmaceutische industrie leidt TRIPS tot de privatisering van kennis en levensvormen en tot de vorming van monopolies. TRIPS ondermijnt de Biodiversiteitsconventie, hindert de toegang tot medische zorgen en geneesmiddelen en belet arme landen om de levenskwaliteit te verbeteren en hun technische kennis te ontwikkelingen. TRIPS hoort niet thuis in de WTO. Er moet dan ook een onmiddellijke stilstand komen in de verdere uitvoering van TRIPs.

Water, lucht, zaaigoed en het leven moeten worden beschouwd als delen van het onvervreemdbare menselijke erfgoed en moeten dus onttrokken worden aan de logica van de markt. Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de begrippen uitvinding’ en ontdekking’ en octrooien moeten beperkt blijven tot uitvindingen. Informatie over oorsprong, toestemming van het oorsprongsland en bewijs van eerlijke en gelijkwaardige verdeling van de voordelen moet verplicht worden.

Er is dringend nood aan een ontwikkelingsagenda inzake intellectuele eigendomsrechten. Deze kan best gevoerd worden in de World Intellectual Property Organisation (WIPO) met effectieve participatie van de WHO, FAO, het secretariaat van de Convention on Biodiversity (CBD) en vertegenwoordigers van de inheemse volken en boeren. Belgi moet een dergelijke agenda actief ondersteunen.

In ieder geval moet elk land het recht hebben om essentile generische geneesmiddelen te produceren of in te voeren, in het bijzonder (maar niet alleen) de nodige middelen ter bestrijding van epidemien zoals aids/HIV, malaria, longontsteking of tuberculose. Dit recht moet snel in de WTO verankerd worden op een wijze die ontwikkelingslanden een sterk vereenvoudigde en gemakkelijke toegang geeft tot deze geneesmiddelen.

Vereenvoudiging van douaneformaliteiten

Van de nieuwe thema’s is er uiteindelijk maar n over gebleven, “trade facilitation” of de vereenvoudiging van douaneformaliteiten. Ontwikkelingslanden vrezen dat deze vereenvoudiging hen voor grote kosten plaats. Het Noorden moet hen terzake de nodige garanties en ondersteuning geven. Bovendien mogen de bevoegdheden van de gespecialiseerde VN-agentschappen zoals de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Civiele Luchtvaarorganisatie die trade facilitation’ behandelen onder hetzelfde dak als de regulering van veiligheid en gezondheid, niet ondermijnd worden door de WTO-onderhandelingen die de minst handelsverstorende maatregelen nastreven.

Wij vragen in verband met de plaats en de doelstellingen van de WTO:

- de hirarchie van de internationale rechtsnormen te garanderen door integratie van de WTO in het VN-systeem;
- de onderschikking van de WTO en de handelsliberalisering aan de rechten van de mens, aan de sociale (in het bijzonder fundamentele arbeids- en vrouwenrechten), de culturele en de economische rechten en aan de milieunormen;
- meer coherentie tussen de WTO en de andere internationale organisaties; versterking van de internationale sociale en milieuakkoorden en -organisaties;
- het nastreven van kwaliteitsvol werk, zoals gedefinieerd door de IAO, als prioritaire doelstelling voor het bereiken van een rechtvaardige globalisering;

Wij vragen in verband met de besluitvorming:

- een einde te maken aan de schijndemocratie binnen de WTO die berust op de methode van de impliciete consensus;
- een herziening van het regelingsmechanisme voor geschillen zodat het doorzichtiger wordt en toegankelijk voor alle lidstaten en zodat het meer rechtswaarborgen biedt (openbaarheid, onafhankelijkheid, ...);
- meer openheid en inspraak in de bepaling van het Europese handelsbeleid en een herziening van het WTO-mandaat van de Europese Commissie;
- een actievere opvolging van de WTO-onderhandelingen, het duidelijk innemen n publiceren van standpunten door de Belgische regering in overleg met het Parlement, met vakbonden, ngo’s en werkgevers.
- een voorafgaande evaluatie van de commercile (economische) en de niet-commercile (sociale, culturele, gender- en milieu-) impact van de liberaliseringsvoorstellen binnen elk van de onderhandelingsthema’s.

Wij vragen in verband met de onderhandelingsthema’s:

- geen uitholling van de binnenlandse regelgeving noch van de regulerende bevoegdheid van overheden op welk niveau dan ook door de liberalisering van de diensten- of de goederenhandel;
- de erkenning dat niet-tarifaire maatregelen een belangrijk instrument kunnen zijn in het bereiken van sociale en ecologische doelstellingen en dat de afbouw ervan dan ook op geen enkele manier mag leiden tot een ondermijning van ecologische en sociale doelstellingen;
- dat milieu- en gezondheidsbescherming via toepassing van het voorzorgsprincipe en van product- en procesnormen niet langer als handelsbelemmerend mogen beschouwd worden door de WTO;
- de uitsluiting van de openbare diensten en diensten van algemeen belang uit het toepassingsgebied van GATS; de intrekking van de vragen tot liberalisering van de watersector die de EU gesteld heeft;
- de opheffing van de feitelijke’ onomkeerbaarheid van verbintenissen binnen GATS, het behoud van de bottom-up’ -aanpak;
- om de nationale arbeidsrechten, de collectieve arbeidsovereenkomsten en de fundamentele arbeidersrechten te respecteren binnen de GATS-onderhandelingen rond modus 4;
- de afschaffing van alle rechtstreekse en onrechtstreekse exportondersteuning voor landbouwproducten die tot dumpingpraktijken leiden; overige ondersteuningsmaatregelen zijn legitiem en moeten een duurzame rurale ontwikkeling ondersteunen;
- de mogelijkheid dat landen hun markten kunnen reguleren en zich kunnen verdedigen tegen alle vormen van dumping en goedkope invoer van voedingsproducten uit de landbouw door invoerbeperkende maatregelen;
- een ontwikkelingsagenda inzake intellectuele eigendomsrechten met daarin een definitieve, sterk vereenvoudigde en gemakkelijk uitvoerbare regeling die het recht op toegang tot geneesmiddelen verzekerd en bescherming van de biologische rijkdommen en traditionele kennis van ontwikkelingslanden;
- de versterking van de mogelijkheid van ontwikkelingslanden om hun zwakkere economien te beschermen tegen de effecten van vrijhandel en tegelijk meer markttoegang voor hun producten en steun voor hun productie- en lokale verwerkingscapaciteit.
- een herstel van het Noord-Zuid evenwicht in de bestaande WTO-akkoorden wat onder andere de operationalisering impliceert van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling’ voor ontwikkelingslanden en een snelle oplossing voor de uitvoeringsproblemen van de bestaande akkoorden, zoals de toegang tot geneesmiddelen.

Ondertekenaars op 25 juni 2005:

ABVV-FGTB, ACV-CSC, BBL, IEW, Greenpeace, VODO, 11.11.11.-Koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging, CNCD-Opration 11.11.11., ATTAC Belgi, AEFJN International Secrtariat Bruxelles, AEFJN Belgique/Belgi, Amnesty, Broederlijk Delen, Entraide et Fraternit, Kwia, MAP, Mouvement d’Action Paysanne, Oxfam Magasins du monde, Oxfam-Solidariteit / Oxfam-Solidarit, Oxfam Wereldwinkels, Solidarit Mondiale, Solidarit Socialiste, SOS Faim, Velt, Vredeseilanden, Volens, Wervel, Solidarit Mondiale.