Vrijhandelsakkoorden met Europa: een mars der dwazen?

Tegen het einde van 2007 wil de Europese Commissie Economische Partnerschapakkoorden (EPA’s) afsluiten met de ACP-landen. De onderhandelingen zijn hard en het is vijf voor twaalf. Zullen de machtigen falen en de zwakken betalen?
Landen in het Zuiden, die ooit tot Europa’s koloniale rijk behoorden, werden in zes nieuwe blokken verdeeld om met elke regio apart Economische Partnerschapsakkoorden te kunnen afsluiten. Is dit een nieuwe vorm van kolonialisme? Komen die EPA’s er of rijdt de Commissie zich vast? En wie betaalt de rekening?
Wat willen de EPA’s?
Centraal in de EPA-filosofie staat de absolute vrijheid van het marktgebeuren. Competitie mt en tussen ontwikkelingslanden is volgens de internationale elites de enige ontwikkelingshefboom die nog rest voor de armste landen. Voorbij zijn de dagen van “solidariteit” met de ex-kolonies, zoals in vorige decennia vastgelegd in de akkoorden van Lom en Cotonou. Net als in de koloniale tijd wordt er van uitgegaan dat wat goed is voor Europa ook per definitie goed is voor Afrika. Volledige vrijhandel wordt voorgesteld als het enige lichtende pad naar globale welvaart voor iedereen.
De beschavingsmissie van weleer lijkt een handelsmissie geworden, de kanonneerboot van toen een onderhandelingsdelegatie. De boodschap aan de landen in het Zuiden is dezelfde gebleven; alleen werd de “beschavingsplicht” van de blanke kolonialen (cfr. Rudyard Kiplings’ “white man’s burden”) vervangen door “There Is No Alternative” (TINA) van Commissaris voor Handel Peter Mandelson.
Maar er is meer aan de hand met EPA’s dan alleen… EPA’s. In de huidige internationale economische constellatie gaat het om de strijd tussen twee economische zwaargewichten - de VS en de EU - en er zijn slechts twee uitkomsten: domineren of gedomineerd worden. Afrika is niet de echte inzet. EPA’s zijn vooral politieke instrumenten. De onderhandelingen met Afrika, de Caraben en de eilanden van de Stille Oceaan (ACP) vormen slechts een eerste stap in de globale Europese strategie, om de VS te verdringen van hun traditionele exportmarkten. De Europese Unie onderhandelt:
in Latijns Amerika met Mercosur en Centraal-Amerika;
in Oost- en Zuid-Azi met ASEAN en Zuid-Korea;
in het Midden-Oosten met de Golfstaten, want dt is de hoogste prijs van allemaal!
Ondertussen zullen hele sociale economien in de armste landen ter wereld bezwijken onder de competitiedruk van een nieuw Europees handelsimperium. De Nieuwe Europese Ruimte is in amper 20 jaar tijd het enige en chte thuisland van de machtigste multinationale ondernemingen geworden (29 van de Top 50). Dat economisch kwetsbare groepen als de miljoenen familiale boeren, kleine ondernemers en Afrikaanse huismoeders hier de prijs voor betalen, wordt afgedaan als “een probleem van overgang en aanpassing”. Maar structureel geweld kost ook levens. Daders en slachtoffers zijn alleen anoniemer. Net als tijdens de koloniale hoogdagen is het lot van gewone mensen in verafgelegen gebieden slechts een voetnoot voor de bureaucratische elites van Europa.
Verzet tegen EPA’s alsmaar luider en duidelijker
De bevolkingen in Afrika hebben weinig moeite om de dubbele bodems van EPA’s concreet in te schatten. In tegenstelling tot de gemeenschappen in het Noorden ondervinden zij de gevolgen van globalisering immers niet vijftig maar al vijfhonderd jaar. De steeds maar massalere mobilisaties zetten hun regeringen onder druk om het dwingende en dreigende karakter van de EPA-onderhandelingen af te wijzen. Een aantal lokale ngo’s bereidt zich voor om hun regeringen juridisch te vervolgen indien zij het EPA-akkoord zouden tekenen. Deze regeringen zouden daarmee hun eigen sociale en economische wetgeving schenden. Straatdemonstraties in de hoofdsteden en andere mobilisaties, zoals theatervoorstellingen op het platteland, en de aangehouden kritiek in een goed genformeerde geschreven pers, nemen toe.
De Internationale Federatie voor Mensenrechten (FIDH) stelt dat de EPA’s zowel de Internationale Overeenkomst over Sociale, Economische en Culturele Rechten van 1966 als het Afrikaanse Rechtencharter van 1981 schenden. Deze wetteksten geven de landen van Afrika het fundamentele recht op een eigen economische ontwikkeling en leggen hen de verplichting op om hun basisdiensten zoals water, gezondheid, onderwijs en voedselveiligheid toegankelijk te houden voor hun bevolkingen.
In de Stille Zuidzeeregio kan men spreken van een openlijke antikolonialistische reflex bij de civiele samenleving, bij bestuurslui n op het regionale niveau van het eilandenforum. De sociale en politiek inzet is aanzienlijk, want weinigen betwijfelen nog dat de levensbelangrijke lokale visindustrie in gevaar komt. Vooral de “onbetrouwbare en dreigende onderhandelingstactiek” van de Commissie heeft kwaad bloed gezet.
In het Carabisch gebied verzuurde de aanvankelijke goede verstandhouding toen bleek dat er niks kwam van de beloofde hulp maar dat de Commissie nzijdig besliste de liberalisering van toerisme en suikerindustrie in het akkoord te droppen. Ook hier waren er klachten van ”gebrek aan respect” voor de partners. De Caraben kregen eerst een goednieuwsshow opgevoerd door technocraten van beide zijden en vervolgens een EPA-tekst die finaal niet voorbij het fiat van de Carabische politieke kaste geraakte. Net als in de andere regio’s kozen zij voor het minst directe politieke risico: weerstaan aan de dreiging van de Commissie liever dan de dreiging van interne sociale onrust te ondergaan.
Om de zaken voor de Commissie nog gnanter te maken, trad het Secretariaat van het Gemenebest zijn 53 leden bij. Het verweet de Commissie dat zij een unfaire onderhandelingstactiek hanteerde en onrechtvaardige uitkomsten nastreefde. Hierdoor zou volgens deze organisatie “de Commissie zelf aansturen op een crisis”.
EPA’s kregen ook geen krediet in wetenschappelijke kringen. Dit gaat van Nobelprijswinnaars economie, over de Wereldbank en denktanken tot consulentenfirma’s, kortom allen die normaal vriend aan huis zijn bij het EU-establishment. Dat moet het zelfvertrouwen van de eurocraten wel aantasten en omgekeerd dat van de ACP-landen opvijzelen.
Hoezo, geen alternatief?
De geopolitieke strategie van de Commissie in Afrika krijgt nog meer deuken als je vaststelt dat de Chinese invloed in Afrika ondertussen groeit en de Volksrepubliek de Europese Unie de facto aan het buiten walsen is. Afrika is niet langer meer het natuurlijke hinterland van Europa; het is nu het strijdtoneel van Amerikaanse en Chinese belangen. In tegenstelling tot Mandelsons “TINA” is er nu wel degelijk een alternatief voor de Afrikaanse landen. Dat de Commissie de dimensie van deze monumentale machtsverschuiving niet in haar strategie heeft meegerekend, is ronduit verbluffend.
In de laatste aanloop naar de EU-deadline van 31 december 2007 viel week na week een EPA-regio uit het gelid. Zowel in de regio’s van West-, Oost- en Zuidelijk Afrika als in de Stille Zuidzeeregio is de aanvankelijke weerzin uitgegroeid tot een officile eis voor uitstel van de EPA’s en een invulling van de EPA’s met een ontwikkelingsagenda. Deze agenda moet volgens deze landen op maat zijn van hun mogelijkheden en rekening houden met hun inzichten.
Om de zaak voor de Commissie nog pijnlijker te maken, vervoegde de Carabische regio nu ook het gemeenschappelijke afwijzingsfront terwijl deze volgens de Commissie maanden geleden als “aan wal” werd bestempeld. De ironie is bovendien dat de Europese Commissie altijd getracht heeft om via EPA’s het derdewereldfront in de Wereldhandelsorganisatie te omzeilen. Nu wordt ze binnen haar eigen handelsconcept geconfronteerd met alsmaar mr derdewereldsolidariteit.
Tijdens de onderhandelingen op de WTO-conferentie in Singapore (1997) trachtte de Commissie deze internationale organisatie tevergeefs voor haar kar van ongebreidelde vrijhandel te spannen. Hierdoor werd de WTO echter zelf overladen met kwesties die buiten haar strikt handelsmandaat vielen: de zgn. Singapore Issues over investeringen, publieke aanbestedingen en competitiebeleid. Het resultaat was een blokkering van het WTO-mechanisme. De uitweg voor de EU werden de EPA’s.
Redden wat er te redden valt
De omsingeling van de Commissie zet zich ook in het Noorden door. De Stop EPA-dag van 27 september bracht zowat de hele beweging voor globale rechtvaardigheid (global justice movement”) op de been. Dit zet ook de lidstaten in de Europese Ministerraad en de binnenkort opnieuw te verkiezen Europese parlementsleden onder druk.
In de machtsdriehoek van de EU – Parlement, Raad en Commissie - is een convergentie tussen de eerste twee iets wat de laatste kan missen als kiespijn. Sommige lidstaten, waaronder Belgi maar ook Nederland, Frankrijk, VK en andere (de “like-minded group”) stellen zich openlijk vragen over de brutale aanpak van de Commissie in het EPA-dossier. Vandaag lijkt het erop dat de politiek in Noord n Zuid zich tegen de coalitie van de eurocraten met het multinationale bedrijfsleven keert. Volgens Peter Mandelson zelf is het deze belangenvermenging die het EPA-discours tot nu toe gestuurd heeft.
De eerste tekens van “verlatingsangst” bij de Commissie zijn vandaag al zichtbaar. Nu een dreiging met hoge toltarieven en lage hulpvolumes niet blijken te helpen, begint de Commissie aan een soort diplomatische terugtocht: “de krabbengang” (doen alsof je vooruitgaat terwijl je achteruit gaat, dixit J.K. Galbraith).
De Commissie tracht te redden wat er nog te redden valt: door “algemene directieven” voor te stellen als te ondertekenen teksten, of door de handelsmaterie op te splitsen en voorlopig alleen over “goederen” en niet over “diensten” te onderhandelen. De onrealistische ambitie van “nu direct alles” is plotseling veraf. De weigering van een aantal EPA-regio’s in de eerste week van oktober 2007 was een politiek feit, waardoor het nog slechts wachten was op een administratieve bevestiging van uitstel van de afsluitdatum van 31 december 2007.
Op 16 oktober was het zover. Het hoofd van het handelsdepartement van de Commissie was verplicht voor het Europese Parlement toe te geven dat “de EU niet in een positie was om de akkoorden met de zes ACP-regio’s af te sluiten voor 31/12/07”.
De Commissie zou zich tevreden stellen met de ondertekening van deelovereenkomsten door sommige landen en met interim-akkoorden met anderen. Ze zou de armste landen niet straffen en hen volle toegang blijven verlenen tot de Europese markt, behalve voor de wapenhandel (“Everything But Arms” of EBA-formule). Voor landen die buiten de EBA-categorie vallen, zou er wl een ongunstiger regime komen (GSP of Algemeen Preferentieel Stelsel). Ten slotte stelt de Commissie dat de ACP-landen door dit uitstel nu de verplichting aangaan er bij nieuwe onderhandelingen ten volle voor te gaan, om de “harmonieuze integratie in de globale economie tegen 2020 te voleindigen”.
Verdeel en heers
De pogingen tot verdeel en heers blijven nog aanwezig in de communicatie van de Commissie met de buitenwereld: EBA- tegen niet-EBA-landen, een witte en een zwarte lijst met “annex A”- en “annex B”- landen, landen die “iets” tekenen en landen die “niets” tekenen, enz. Maar de landen die iets tekenen, worden in het ongewisse gelaten over wat zij in ruil zullen krijgen, er zijn geen impactstudies voorhanden… Ronduit bizar is dat de Commissie door deze verdeel-en-heersstrategie op landenniveau net de integratie ondergraaft die ze op zes regionale niveaus beoogt.
Ook de dreigende houding blijft, met de idee van “dit is de laatste kans en nadien gaat het om alles of niks.”
Alles betekent het mee opnemen in de akkoorden van de gevreesde “Singapore Issues” en de liberalisering van de diensten. In ruil voor enige bereidwilligheid van de kant van de ACP-landen stelt de Commissie dat deze voorlopig niet het volledige pakket van EPA’s moeten tekenen, maar enkel de goederencomponent van de tekst. Maar ook deze component kan een onmiddellijke bedreiging vormen voor de industrile groei en de overlevingskansen van kwetsbare sociale groepen in de ACP-landen. Of anders gezegd: de ontwikkelingslanden zullen hun overwinning in de Wereldhandelsorganisatie en de Doha “Ontwikkelingsronde” moeten inleveren. Er is geen terugweg en geen middenweg. Het doctrinaire gehalte in het denken van de Commissie blijft hoe dan ook onaangetast.
Niks betekent de confrontatie aangaan met de hogere tolmuren rond “Fort Europa”, waar de ACP-landen 40 tot 60 % van hun handel op richten (“GSP alleen”). Van zijn kant is de Europese handel slechts voor 1% gericht op de ACP-landen. De ongelijke verhoudingen zijn meteen duidelijk gesteld. En toch blijft de Commissie overtuigd dat ze onderhandelt met gelijke partners.
De machtigen zullen falen, de zwakken betalen…
De arrogante houding van de Commissie blijft even pijnlijk en blind als voordien. Toch kan gesteld worden dat het uitstellen na 31 december 2007 een voorlopige en voorzichtige overwinning is voor het anti-EPA-front. De terugtocht van de Commissie gebeurt in verwarde slagorde, met vage verwijzingen naar “interim-akkoorden” die niemand goed weet te plaatsen en tijdspaden die niet meer worden opgelegd.
Het ganse proces is nu zodanig opgesplitst in vele tactische doodlopende straatjes dat de strategische weg zoek is, en zo ook de coherentie der dingen. Het is ietwat ironisch dat de Commissie zichzelf met een capaciteitsprobleem heeft opgezadeld, er zijn steeds minder onderhandelaars inzetbaar om in dit labyrint nog de weg terug te vinden. Bijgevolg is de Commissie met steeds dezelfde tekst, waarin iedere ontwikkelingsrelevantie ontbreekt, door zes halve continenten getrokken. De meerderheid behoort tot de armste landen in de wereld en hun bevolking is driemaal groter is die van de EU. Het is dan ook niet verwonderlijk dat lidstaten van de EU de EPA-aanpak van de Commissie als te ambitieus omschrijven, wat diplomatieke taal is voor “lichtjes megalomaan”.
Het wekt alom verbazing bij Nobelprijswinnaars economie, bij Afrikaanse en Europese regeringen en zelfs bij de Wereldbank, dat de Commissie zo koppig bereid was in haar eigen voet te schieten. Zoals vele elites in het verleden heeft de Commissie zelf de voorwaarden geschapen opdat haar doelstellingen van vrijhandel zouden resulteren in het omgekeerde: een “dode letter- handelsregime”. Het gevaar voor een wereldwijde protectionistische terugslag en een erosie van het multilaterale proces lijkt plotseling heel reel.
Ondanks een waterval van intellectualistisch en economisch jargon riskeert het EPA-project, om het met de Amerikaanse historica Barbara Tuchman te zeggen “een zoveelste mars der dwazen” te worden. Ook in die zin schijnt de geschiedenis zich te herhalen: de machtigen zullen falen en de onmachtigen zullen betalen.
Etienne De Belder, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit


Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
