Voedselhulp en lokale productie, wie zal Atjeh voeden?

De bevolking van Atjeh, de Indonesische provincie die het meest heeft geleden onder de tsunami, heeft dringend en overduidelijk behoefte aan voedselhulp en materiaal. Maar de boerenorganisaties uit de regio, die boeren en vissers bijeenbrengen, luiden de noodbel: de hulp dreigt de bestaansmiddelen van de kleine boeren en vissers uit de regio te vernietigen.
Eenmaal je Banda Atjeh gezien hebt, durf je het nauwelijks te zeggen. Eenmaal je de vernielde stad binnengegaan bent die schuilgaat onder stinkende modder, eenmaal je de optocht van vrachtwagens gezien hebt, gevuld met lijken en met de vuilnisophalers van de dood aan boord die met hun science-fictionmaskers schrik aanjagen, eenmaal je de geur van ontbinding geroken hebt, durf je nauwelijks te zeggen dat het een fantastisch land is. Dat de route tussen Medan en Banda Atjeh in mist gehulde bergen doorkruist, dat apen en hagedissen de straat oversteken en in het woud verdwijnen. Ten oosten van de weg liggen stranden zover het oog reikt, ten westen liggen rijstvelden waar het water klatert. Vrouwen planten rijst. Zwarte koepels van moskeen reflecteren in de overstroomde velden.
Atjeh, 13 januari 2005. 75.000 lijken zijn al begraven in massagraven en elke dag brengt weer een lading rottende lichamen. Elke dag worden nog duizenden nieuwe lichamen gevonden en begraven. De autoriteiten schatten dat er meer dan 165.000 doden zijn gevallen in Indonesi, voornamelijk in de provincie Atjeh. Nochtans zijn in het binnenland de hogere gronden en de landbouwgronden onbeschadigd.
Landbouw en visvangst in Atjeh
In de provincie Atjeh leeft de meerderheid van de bevolking van landbouw en visvangst. 42.000 families vangen vis op ambachtelijke wijze en de boeren verbouwen rijst, pepers, ajuinen, groenten, mais, koffie en kokosnoten op kleine perceeltjes die meestal niet groter zijn dan een hectare. In het noord-oosten van Atjeh beoefenen sommige families tegelijk beide activiteiten. Ze vissen in de ochtend en bewerken het land in de namiddag. In andere streken zijn de activiteiten meestal gesplitst.
Atjeh is eveneens rijk aan petroleum en aardgas, maar de meerderheid van de lokale bevolking geniet niet van die inkomsten. Akhmad Sofyan van de ngo Sintesa legt uit dat in Lhokseumawe bijvoorbeeld, waar het VS-bedrijf Exxon Mobil aardgas ophaalt met de Indonesische maatschappij Pertamina, de inkomsten van de bevolking bij de laagste liggen van de provincie.
Vandaag is het nog te vroeg op een balans op te maken van de vernielingen die de aardbeving en de tsunami van 26 december hebben aangericht aan de visvangst en de landbouw. De FAO (VN-voedsel en landbouworganisatie) schat dat twee derde van de vissers uit de hoofdstad Banda Atjeh omgekomen zijn door de golven en dat 70% van de vloot vernield is. (1) Een zeer groot deel van de slachtoffers zijn vissers en wie de ramp overleefde heeft alles verloren: huizen, boten, netten, manden,... Vandaag is de visvangst nog niet heropgestart en de vis op de markt werd aangevoerd uit naburige provincies. Sommige vissers zijn al bezig met het herstellen van hun boot en netten, maar anderen zijn nog zwaar getraumatiseerd door de ramp. Ze weigeren om opnieuw op zee te gaan. Sommigen zijn naar de hogere gebieden gevlucht en vragen de overheid om zich daar op lange termijn te mogen vestigen, zonder goed te weten van wat ze daar gaan leven.
De concurrentie van de industrile visvangst
De lokale organisaties zijn ongerust over de productiemodellen die gebruikt zullen worden bij de heropbouw van de sector. Al jaren moeten ze het hoofd bieden aan de concurrentie van de Thaise visindustrie. Hun schepen halen de zee leeg met zeer grote en zeer fijne netten, veel fijner dan die van de lokale vissers.
Volgens Chaspul Hasibuan van KSKBA (Coalitie voor humanitaire hulp voor de natuurramp in Atjeh en het noorden van Sumatra) werken de Thaise schepen illegaal op het Indonesische territorium, waarbij ze bescherming afkopen van het Indonesische leger.
Verder klagen de vissers al jaren over de vernietiging van de mangroves door Indonesische bedrijven die er industrile vis- en garnalenkwekerijen opzetten. Het vernielen van de mangroves vernielt het zeemilieu en haalt een van de natuurlijke beschermingsmuren van de kust tegen de woestheid van de zee weg. Op alle kusten van de Indische Oceaan stelt men vast dat de mangroves, de begroeiing en de duinen voor een natuurlijke bescherming zorgen tegen tsunami’s.
Op korte termijn hebben de vissers nood aan spoedhulp om te overleven en hulp op middenlange termijn om hun huizen en boten te herstellen. Maar op lange termijn zal het heropstarten van de visvangst evenzeer afhangen van de beleidskeuzen die gemaakt worden om de kleine producenten te beschermen tegen de concurrentie van de industrile visvangst en van de maatregelen die genomen worden om het zeemilieu te respecteren.
Landbouwsector
De landbouwsector lijkt minder aangetast door de ramp. Op de oostkust zijn er weinig vernielde rijstvelden te zien, behalve in de buurt van Sigli en Banda Atjeh. De Indonesische landbouwersfederatie FSPI heeft vastgesteld dat de vernielingen veel erger waren op de westkust, maar dat er in de hele provincie nog vele velden zijn die nog te bewerken zijn. De FAO oordeelt dat 40.000 hectare bevloeid land beschadigd werd. Verder heeft de aardbeving irrigatiekanalen vernield en de golf heeft zoutgraad verhoogd, terwijl het water ook vervuild was, wat bepaalde gronden steriel heeft gemaakt. De effecten op lange termijn van de verzilting en de vervuiling van de gronden zijn nog onbekend. De overvloedige regen in Atjeh zal waarschijnlijk helpen om de velden schoon te maken, maar volgens Henry Saragih, voorzitter van FSPI, zal het ongetwijfeld nog twee jaar kosten om de velden opnieuw in orde te brengen.
Voor de tsunami produceerde de provincie Atjeh voldoende rijst en voedsel om haar 4 miljoen inwoners te voeden. In 2003 produceerden de boeren 871.493 ton rijst, terwijl de inwoners er 564.219 ton nodig hadden. (2) De overproductie werd verkocht in andere streken van Indonesi. Volgens M. Amru, vice-voorzitter van Permata, de boerenorganisatie van Atjeh, moesten de producenten voor de overstroming al het hoofd bieden aan moeilijke levensomstandigheden, met name op het vlak van de prijzen die ze kregen voor hun landbouwproducten. Verder schat hij dat 30% van de boeren in Atjeh geen toegang hebben tot land, door de aanwezigheid van grote palmplantages die op industrile manier palmolie produceren. (3). Permata neemt deel aan het gevecht voor landbouwhervorming in Indonesi en organiseert vormingen over biologische landbouw voor haar leden.
Dit jaar zullen vele boeren oogsten in februari en maart, ondanks de tsunami. Atjeh heeft een zekere lanbouwproductiecapaciteit behouden. Drie weken na de ramp duiken overal in de provincie kleine markten op met lokaal geteeld fruit en groente.
Overleeft de landbouwsector?
Vandaag, in de kantlijn van de ramp, stelt men zich de vraag over het economische overleven van de landbouwsector in de provincie. Tonnen voedsel wordt uitgedeeld aan de overlevenden en de behoeftes zijn immens. De WFP (VN-Wereldvoedselprogramma) schat dat er ongeveer een miljoen mensen voedsel nodig hebben na de ramp. Honderden vluchtelingenkampen zijn opgericht, sommigen herbergen duizenden mensen, andere honderden.
Het FSPI heeft vastgesteld dat vele rurale families onderdak geven aan hun familieleden wier huis vernield werd. Die vluchtelingen die onderdak krijgen bij hun naasten genieten niet altijd van de humanitaire hulp omdat ze niet in de kampen verblijven. De families die gespaard werden door de ramp nemen dus een groot deel van de directe noodhulp voor de slachtoffers op zich.
De lokale organisaties vrezen dat de aankomst van massieve hoeveelheden gratis voedsel in Atjeh de landbouw die de ramp overleefd heeft, zal vernietigen. De prijzen voor landbouwproducten dreigen in te storten, wat de heropstart van de plaatselijke economie nog moeilijker zal maken.
Henry Saragih: “Iedereen erkent de behoefte aan noodhulp. De situatie is dramatisch en de verplaatste mensen hebben absoluut geen andere mogelijkheid om zich te voeden. Maar we vragen dat de noodprogramma’s zich zoveel mogelijk op de lokale markten bevoorraden. In de provincie Atjeh of in de naburige provincies als dat noodzakelijk is.”
Volgens de officile cijfers heeft Indonesi een overproductie van 6.800.000 ton rijst in 2003. Vorig jaar verbood de overheid elke rijstimport omdat het land zelf in zijn behoeftes kan voorzien.
Oorsprong voedselhulp?
Tot vandaag lijkt het alsof de voedselhulp die geleverd word door de VN afkomstig is uit Indonesi. Volgens Betina Luescher, woordvoerster van WFP in Banda Atjeh, bestaat de voedselhulp voornamelijk uit rijst, verrijkte koekjes, noedels, olie en visconserven. De rijst is gekocht bij de Indonesische staatsonderneming Bulog, de noedels en de olie komen voornamelijk van bij bedrijven uit Jakarta. De koekjes worden geimporteerd. De visconserven komen gedeeltelijk uit Indonesi, maar de WFP verwacht eveneens 500 ton vis uit Bangkok.
Op 13 januari had het WFP 47.357 ton rijst voor Indonesische slachtoffers en het zou nog 30.000 ton extra kopen bij Bulog.
In eerste instantie verzekerde het OIM (Internationale Organisatie voor Migratie) een groot deel van de logistiek van de noodvoedselhulp in Atjeh met de steun van de Verenigde Staten (USAID en het leger) en verschillende internationale agentschappen en ngo’s. Het OIM vervulde die rol omdat ze al ingebed was in Banda Atjeh voor de ramp en er werkte met de bevolking die verplaatst was door het gewapende conflict in de provincie. Geleidelijk werd de verantwoordelijkheid over voedsel overgedragen aan het WFP, de VN-instantie met voedsel als hoofdtaak.
De oorsprong van de voedselhulp blijft een delicate zaak. Volgens de Indonesische pers zou het WFP de voorraden rijst van Bulog willen vervangen door geimporteerde rijst uit Thailand. Die informatie verscheen in de media maar werd nog niet bevestigd door Bulog.
Een bron bij het ministerie van Landbouw verklaarde aan Henry Saragih dat er geen legaal kader bestaat voor een dergelijke vervanging van de voorraden rijst. Alle import van rijst in Indonesi is illegaal. Dezelfde bron bevestigt wel dat de ambassade van de Verenigde Staten in Indonesi rond 10 januari de toelating vroeg om rijst in te voeren in het kader van voedselhulp. Dit nieuws alarmeert de lokale boerenorganisaties die vrezen dat de ramp maar een voorwendsel is om de markten te openen voor ingevoerde producten.
Op lange termijn zal het overleven van de inwoners van de getroffen provincies, maar ook het leven van de producenten in de andere regio’s van Indonesi afhangen van het beleid dat gevoerd wordt na de ramp. De organisaties van KSKBA herhalen dat de bevolking van Atjeh dringend nood heeft aan hulp, aan voedsel en materiaal, maar dat die hulp geleverd moet worden zonder nieuwe vernielingen aan het levensonderhoud van de kleine boeren en vissers in de regio.
Isabelle Delforge
Noten
(1) FAO, 13 January 2005 (“Tsuami destroyed tens of thousands of fishing boats”)
(2) Informatie afkomstig van de ngo Sintesa op basis van statistieken van het Trade and Industry department 2003 en de National Social and Economic Survey, 2003.
(3) In die sector zijn meer bepaald de Belgische maatschappijen Socfindu en Sipef actief.

]
Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
