Voedselsoevereiniteit

9 april 2004

Rondetafel: Landbouwakkoord van de WHO (13.3.2003)

Gezamenlijke presentatie van de milieu -NGO’s en de ontwikkelings-NGO’s

Voorwoord

Deze nota is het resultaat van een gezamenlijk denk- en schrijfwerk van de milieu -NGO’s en de ontwikkelings-NGO’s. Deze gezamenlijke reflectie is noch nieuw noch typisch voor Belgi. Ze wordt gezien binnen de context van overleg tussen de verschillende actoren van de maatschappij die begaan zijn met de landbouwproblematiek en verenigd binnen het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling (VODO) of het Plate-forme pour la souverainet alimentaire (PFSA).

Deze oefening op Belgisch niveau zet zich ook voort op het internationale niveau, zowel binnen de verschillende netwerken die betrokken zijn bij de uitdagingen van de landbouwhandel, als via het faciliteren van het overleg tussen Europese landbouworganisaties en deze in ontwikkelingslanden

Onze uitnodiging is de eerste stap die er kwam na de conferentie van Leuven in november, maar dit is niet voldoende. De enkele minuten spreektijd die ons toegekend werden kunnen niet gezien worden als een voorbeeld van een consistente dialoog. Voor dit punt verwijzen we naar een nota die verspreid werd door een brede groep van ngo’s.

Inleiding

Met deze tussenkomst willen we eerst en vooral aantonen waarom we vinden dat de voorstellen die ook wel "Harbinson" genoemd worden geen aanvaardbare vertrekbasis zijn voor de onderhandelingen. Vervolgens willen we aangeven welke volgens ons de voornaamste uitdagingen zijn waarmee de landbouwsector vandaag geconfronteerd wordt, en om ten slotte onze alternatieve voorstellen uiteen te zetten.

Harbinson: gedeeltelijke en inadequate voorstellen

Deze ronde tafel vindt plaats binnen het kader van de huidige onderhandeling van het Landbouwakkoord zoals voorzien in de verklaring van Doha. Deze voorstellen kunnen in geen geval als vertrekpunt genomen worden.

We hernemen enkele essentile punten die in deze voorstellen niet in aanmerking worden genomen:

- de "non trade concerns".. Dit is zeker een stokpaardje van de Commissie maar helaas houdt het Harbinson -rapport houdt totaal geen rekening met deze niet-commercile overwegingen en zijn deze nog enkel weerhouden in hun dimensie ’interne steun’ en dan nog in beperkte mate. De voorstellen gaan meer en meer in de richting van een assimilatie van landbouwproducten en industrile goederen

- de evaluatie van de impact. In overeenstemming met artikel 20 van het Landbouwakkoord moest een evaluatie van dit akkoord uitgevoerd worden. Maar net zoals bij andere handelsakkoorden van de WHO wordt dit niet echt toegepast. Nochtans tonen talrijke studies de vaak negatieve impact aan voor de ontwikkelingslanden (met uitzondering van enkele landen van de Cairns-groep) of wijzen deze op de nadelige ecologische gevolgen van de liberalisering van de landbouwmarkten. Gezien zij geen rekening houden met deze studies riskeren de Harbinson-voorstellen enkel de negatieve effecten die voortvloeien uit het Akkoord van ’95 te versterken.

- de meest voor de hand liggende illustratie daarvan is het behoud van dumpingpraktijken en de geleidelijke erosie van de voorkeursakkoorden, en dit in naam van de handel aan de laagste prijs.

Samengevat, deze tekst beantwoordt niet aan de verwachtingen van vele landen en houdt slechts rekening met een deel van de voorstellen die in het kader van artikel 20 gedaan werden. Bovendien bieden deze voorstellen geen afdoende antwoorden op de landbouwcrisissen en de daarmee gepaard gaande sociale en ecologische problemen, zowel in het Noorden als in het Zuiden.

Naast het vrijhandelsdiscours: de vaststellingen

Sinds de akkoorden van Marrakech moeten we vaststellen dat de liberalisering van de landbouwmarkten geen antwoord biedt op de dubbele paradox van een wereld waarin honger en landouwoverschotten naast mekaar bestaan, en waar het voornamelijk landbouwers, en meer bepaald vrouwen, zijn die getroffen worden door honger en soms zelfs hongersnood.

Het probleem van de gesubsidieerde uitvoer - onder welke vorm dan ook - is nefast voor heel wat landen uit het Zuiden en is reel; dit probleem moet opgelost worden. Toch mag ook hier de ruimere context waarin dit probleem zich situeert niet uit het oog verloren worden, namelijk de liberalisering van de landouwmarkten zoals die aangemoedigd wordt door de WHO. Deze liberalisering stimuleert handel in landbouwproducten, zonder rekening te houden met de depreciatie of de onstabiliteit van de wereldmarktprijzen, noch met de niet-duurzame productiewijze, noch met de ongelijkheid van de economische actoren. Het probleem van destructurerende of destabiliserende import komt voor in het merendeel van de regio’s van de wereld, waaronder Europa (bijv. graan uit Ukrane, mas gluten uit de VS,). Een pleidooi voor een verdere liberalisering van de markten wordt naar voor geschoven als de enige uiting van gezond verstand. Nochtans staat dit gelijk aan het negeren van de redenen van de overheidstussenkomst in het landbouw- en handelsbeleid en het verwaarlozen van het belang van de instrumenten voor het regelen van de markten zoals douane tarieven of maatregelen voor aanbodbeheer.

Behalve enkele tropische gewassen, zijn de landbouwmarkten van de hele wereld vooral gericht op het voorzien in de lokale of nationale behoefte: slechts 10 % van de landbouwproducten worden verhandeld op de internationale marketen. Het gaat dan voornamelijk over een afstemming tussen overschotten en tekorten, die onderworpen zijn aan zeer volatiele en gedeprecieerde markten. Door de liberalisering van de landbouwmarkten, zij het door maatregelen die de markttoegang makkelijker maken of door het afbouwen van de tariefbarrires, zijn het nochtans de wereldmarktprijzen die de norm zijn. De prijzen van de wereldmarkten, die abnormaal laag zijn, zijn niet representatief voor de productieve en sociale realiteit van de zeer grote meerderheid van producenten. En dit nog zonder rekening te houden met de ecologische kost van bepaalde producties. Hoe kunnen we trouwens spreken over een universele norm als de producenten werken in economische en klimatologische omstandigheden die zo verschillend zijn?.

Nochtans brengt het landbouwakkoord hen op een directe manier met elkaar in concurrentie en daarbij worden de wereldmarktprijzen als universele referentie weerhouden.

In uw recente brief aan de anders-globalisten vermeldt u de nefaste gevolgen van de exportsubsidies voor Europese melk op de melkproductie in Jamaica. Wat leert ons uw voorbeeld, gezien in een globale context? De oorsprong van de ingevoerde melk is niet essentieel voor de producenten in Jamaica (de invoer van melk uit Nieuw-Zeeland die een zeer lage productiekost heeft, zou hetzelfde effect hebben). Het is vooral het gebrek aan grensbescherming (douane) ten opzichte van de imperfecte wereldmarkten, dat verantwoordelijk is voor het belemmeren van de lokale melkproductie.

In ontwikkelingslanden vormt de productie van levensmiddelen door kleine familiebedrijven nog steeds de beste bron van voedselzekerheid. Meestal worden zij geconfronteerd met een te zwakke bescherming ten opzichte van de wereldmarkten en, eerder dan de exportgewassen, zouden zij een focus moeten zijn voor het ontwikkelingsbeleid. Die exportgewassen worden vaak geteeld in zeer grote commercile bedrijven en zijn bestemd voor de rijke landen; ze ontzeggen de lokale bevolking de toegang tot de natuurlijke rijkdommen en zodat ze beter kunnen concurreren op de wereldmarkt en een hogere winstmarge kunnen halen.

De externe kosten worden niet in aanmerking genomen tijdens de onderhandelingen, zowel de negatieve als ook de positieve kosten. Op vlak van uitwisseling van landbouwproducten uit zich dat vooral door de afwezigheid van integratie van rele transportkosten, die de handel grondig kunnen wijzigen. Een prijs voor transport die in overeenstemming is met de realiteit (vooral op vlak van luchttransport) zou ongezonde concurrentie op vlak van landbouw zoals we die vandaag zien op de wereldmarkt verijdelen.

Het ’laissez-faire’ op basis van de wereldmarkten en het gericht zijn op de export zijn voor de landbouw niet aangewezen.

Hoe kunnen we de huidige malaise op de koffiemarkt verklaren? De rampzalige situatie waarin de producenten zich nu bevinden kan niet worden toegeschreven aan een tussenkomst van de overheden. Sinds de liberalisering van de wereldmarkt zien we eerder het tegengestelde: gedurende de laatste 10 jaar is het inkomen van de boeren gehalveerd, zonder een echte weerslag op de prijs voor de consument.

Deze vaststellingen liggen in dezelfde lijn: vrijhandel in de landbouwsector is geen goed antwoord voor een duurzame ontwikkeling.

Deze sector heeft integendeel nood aan een tussenkomst van overheidswege en dit op verschillende niveaus, om zo de maatschappelijke verwachtingen in te lossen. Het vrij functioneren van de landbouwmarkten en de vrijhandel, met een maximale concurrentie tussen de producenten uit het Noorden en het Zuiden hebben slechts een resultaat: de prijs van de landbouwproducten nog maar eens doen verlagen en de familiale bedrijfjes uit zowel het Noorden als het Zuiden verder verarmen. Ten gunste van de consument? De ervaring leert ons dat de realiteit anders is. Ten gunste van de grote verwerkings- en handelsbedrijven, die hun grondstoffen krijgen aan een zeer lage prijs? Deze stelling sluit vast beter aan bij de waarheid.

Op weg naar een solidaire en duurzame handel

Om een toekomst te verzekeren voor de landbouw en voor de boeren moeten de mogelijkheden voor een duurzame productie in elke regio van de wereld behouden en verbeterd worden. Het nastreven van deze doelstelling veronderstelt een samenwerking om de landbouwproductie op wereldvlak te beheren, eerder dan het blootstellen van alle landbouwers op de planeet aan een blinde concurrentieslag. Deze samenwerking moet gebaseerd zijn op de volgende basisprincipes: De landbouwersfamilie is van buitengewoon belang bij het verzekeren van de voedselzekerheid en de duurzame en evenwichtige toegang van de volkeren tot bronnen op wereldniveau.

De verwachtingen van de maatschappij ten opzichte van de landbouw zijn meervoudig: naast voedselzekerheid levert de landbouw ook een bijdrage aan het behoud en het verbeteren van het milieu.

Om dit te bereiken, vormt de voedselsoevereiniteit een onontbeerlijke voorwaarde opdat de landbouwer de hem toebedeelde rol zou kunnen vervullen. Voedselsoevereiniteit wil zeggen dat de verschillende volkeren, of hun Staten of Unies het RECHT hebben zelf hun landbouw- en voedselbeleid te mogen bepalen zonder dat deze de interne markt van andere landen verstoren. Voedselsoevereiniteit houdt ook in dat Staten het recht hebben zich te beschermen tegen invoer van voedsel- en landbouwproducten tegen te lage prijzen en om het voorzorgsprincipe toe te passen

Dit voorzorgsprincipe geeft elke staat de mogelijkheid om GMO’s te weigeren en overeenkomende beperkingen op te leggen om te vermijden dat gehele regio’s besmet raken die zelf nochtans geopteerd hadden GMO vrij te blijven. . Het erkennen van voedselsoevereiniteit en het belangrijke aandeel daarin van familiale landbouw moet zich vertalen in efficinte landbouwbeleidsmaatregelen die prijzen verzekeren die de realiteit op vlak van productie, milieu en sociale omstandigheden weerspiegelen.

Het Landbouwakkoord moet in de eerste plaats mogelijk maken dat volkeren en hun Staten maatregelen kunnen nemen voor het regelen van hun interne markten. Deze maatregelen houden twee essentile krachtlijnen in: het recht op bescherming aan de grens en het beheer van het aanbod. Dit alles geldt zowel voor het Noorden als het Zuiden. Maar op de eerste plaats, en op korte termijn is het cruciaal dat ontwikkelingslanden de mogelijkheid krijgen om hun douanetarieven te verhogen tot een niveau dat toelaat om de voedselsoevereiniteit veilig te stellen, een interne groei te ondersteunen ten gunste van het bestrijden van de armoede en ten gunste van een duurzame plattelandsontwikkeling.

De overheid speelt een zeer belangrijke rol op vlak van het regelen van de interne markten van landbouwproducten, vooral als er op hoger niveau, regionaal of internationaal, geen enkele inspanning geleverd wordt. Aangezien douanetarieven het belangrijkste instrument is dat beschikbaar is voor ontwikkelingslanden, , is het behoud van het recht op een douanetarief dat voldoende bescherming biedt onontbeerlijk. Dit teneinde, via regulering, prijzen te verzekeren die in overeenstemming zijn met de verwachtingen van de maatschappij (voedselzekerheid, redelijk inkomen voor de landbouwers en boeren, duurzaam beheer van de natuurlijke bronnen).

De kritiek die zegt dat douanerechten meer schade toebrengen dan systemen van directe hulp berust op een foute veronderstelling, namelijk die van de perfecte wereldmarkten. De voorstellen die gedaan werden rond voedselzekerheid zijn niet toereikend. De Europese Unie wil via directe steun haar concurrentiepositie behouden door dumpingpraktijken zonder dat derde landen zich daartegen kunnen beschermen.

Kostendekkende prijzen kunnen trouwens gestimuleerd worden door maatregelen voor het beheer van het aanbod, bijvoorbeeld door middel van productiequota, en dit zonder oneerlijke concurrentie. Dergelijke maatregelen zijn van groot nut en gaan verder dan het sturen van de markt, aangezien zij kunnen helpen de productie beter te verdelen tussen de regio’s en de producenten. Hoewel Belgi het behoud van de maatregelen tot beheer van het melkaanbod verdedigd heeft, bleef ons land met deze stellingname gesoleerd binnen de Unie.

Wat meer specifiek de "non trade concerns" betreft, kunnen we zeggen dat het onaanvaardbaar is dat deze systematisch naar de achtergrond verwezen worden tijdens de onderhandelingen en soms zelfs volledig genegeerd worden, terwijl ze een onontbeerlijke verworvenheid zijn waarover ons land geen toegevingen kan en mag doen.

Deze hebben zowel betrekking op de bescherming van het milieu in de brede zin van het woord (hoewel dit gedeeltelijk moet gentegreerd worden in het berekenen van de externe kosten ) als op de biodiversiteit, de landschappen en de cultuur meer precies gezien. Het dierenwelzijn en de werkomgeving moeten eveneens gentegreerd worden als waarden die verdedigd moeten worden en niet als dingen die berekend moeten worden. De opname van externe kosten in de prijs gebeurt via een reel duurzaam productbeleid met inbegrip van ecologische productienormen, en eveneens een adequate en ambitieuze eco-fiscaliteit die als doel heeft om de aankoop te ontmoedigen van alle niet milieuvriendelijke producten. Op dit punt zijn de engagementen van de regering meer bescheiden gebleken.

Op internationaal vlak is het nut van handelsuitwisselingen onbetwistbaar, maar deze moeten plaatsvinden in het kader van een systeem dat aan regels onderhevig is. Ze moeten rekening houden met de vereisten van gelijkwaardigheid en solidariteit en milieubescherming. Een totale liberalisering met als gevolg dat de prijzen voor de landbouwers dalen en aan sterke schommelingen onderhevig zijn en dat de toegang tot gronden voor familiebedrijven beperkt dreigt te worden, is te verwerpen. De eerste vereiste voor solidariteit is proberen te vermijden dat de handelsstromen de interne markten van andere landen destabiliseren.

Om het functioneren van de wereldmarkten te verbeteren moet er een minimale cordinatie komen tussen de voornaamste exportlanden op vlak van de goederen die op de markt aangeboden worden. Een actieve rol moet weggelegd worden voor de internationale akkoorden per product, voornamelijk voor tropische producten (koffie, cacao,) die deel uit maken van de Noord-Zuid handel. Gemaakte beloftes rond de versterking van deze akkoorden blijven steeds dode letter.

Op vlak van toegang tot de markt herinneren we aan het nut van contingenten van preferentile invoer om de producenten van ontwikkelingslanden redelijke exportinkomsten te verzekeren; dit instrument zorgt ervoor dat de toegang van producten uit het Zuiden tot de markten in het Noorden verzekerd is, dat de markten gereguleerd zijn, en dat de prijzen lonend zijn. Een regulering van de thuismarkt in rijke landen kan, als dit gepaard gaat met contingenten van preferentile invoer, bijdragen tot betere exportinkomsten. We betreuren dat Europa tijdens de onderhandelingen met de ACP-landen of met de initiatieven "Alles behalve wapens" overgaat tot het afbouwen van deze systemen.

Niettemin is het positief dat president Chirac tijdens de laatste Frans-Afrikaanse top de mogelijkheden in de verf heeft gezet betreffende een moratorium rond de exportsubsidies, de noodzaak tot kostendekkende prijzen voor landbouwproducten en het verdedigen van systemen van preferentile invoer.

Een analyse waar ook anderen het mee eens zijn...

De voorstellen die we hier aangekaart hebben, hebben we in Brussel besproken met vertegenwoordigers van een dertigtal Afrikaanse en Europese organisaties van familiale producenten en NGO’s. De conclusies waren unaniem.De internationale marktprijzen zijn te laag en niet representatief voor de realiteit van de meerderheid van de producenten op sociaal en productievlak. Enkel efficinte bescherming aan de grens, verzekerd door douanerechten kan enerzijds redelijke prijzen garanderen en er anderzijds ervoor zorgen dat die hanteerbaar zijn voor zowel arme als gendustrialiseerde landen. Daarboven komt nog het belang van een verbetering van de verkoopsprijs voor de export van de landen uit het Zuiden dankzij zowel contingenten van preferentile invoer op de gereguleerde markten van het Noorden (cfr. Suikerprotocol van Lom) als internationale akkoorden voor tropische producten (koffie, cacao,). Algemeen gezien zou een doorgedreven inspanning op vlak van regulering van de wereldmarkten een goede zaak zijn voor ons allen, producenten uit Noord en Zuid.

Dergelijke maatregelen die een duurzame landbouw en een solidaire handel versterken, zullen Europa in staat stellen om een rele alliantie met de ontwikkelingslanden en hun bevolking uit te bouwen.