Voedselsoevereiniteit

5 mei 2008

Komt de oplossing voor de voedselcrisis uit Brazilië?

Moeten we de voedselcrisis oplossen door wereldwijd over te stappen op een agro-industrieel landbouwmodel zoals een opiniestuk in De Morgen van 26/04/08 bepleit? Ngo’s die werken rond landbouw en voedselsoevereiniteit dienen de auteur van antwoord.

Paul Collier, econoom aan de universiteit van Oxford, zoekt de oplossing voor de wereldwijde voedselcrisis in het agro-industrieel landbouwmodel van grootschalige hightec bedrijven. Die zouden immers productiever en efficinter zijn, zo stelt hij in De Morgen van zaterdag 26/04. Een stelling die op zijn zachts gezegd de geschiedenis geweld aandoet en evenmin strookt met de recente vaststellingen van een internationaal VN-panel,

Het Braziliaans model

“Stop met die landbouwromantiek van kleinschalige boeren”, roept Collier uit, “en stap over op het Braziliaans model.” Maar laten we dat Braziliaans model eens van nabij bestuderen. In Brazili wordt 42% van het landbouwareaal ingezet voor sojaproductie, die in totaal 45% van de Braziliaanse landbouwproductie vertegenwoordigd. De landbouwgiganten die deze productie waarmaken, zijn slechts verantwoordelijk voor 5% van de tewerkstelling. De opbrengsten van dit model op het vlak van productie zijn dus redelijk, maar praktisch niemand verdient er iets aan. De winsten concentreren zich bij enkele gelukkige aandeelhouders. Bovendien is dit model gebaseerd op een overvloed aan land, water en kapitaal; het is dus nauwelijks over te plaatsen naar andere ontwikkelingslanden

Wie doet beter?

Doet de familiale landbouw het dan zoveel slechter? Het lijkt vreemd, maar de primitief uitziende velden van goed functionerende familiale bedrijven in tropisch Centraal-Amerika zorgen voor een meeropbrengst van 20 tot 60 percent. Een belangrijk verschil met de agro-industrile landbouw, is dat deze boeren niet kiezen voor een milieubelastende monocultuur. Zij telen verschillende gewassen naast elkaar en waarborgen zo de biodiversiteit.

Minder efficint? Misschien wel op korte termijn, maar op lange termijn raken hun gronden niet uitgeput, ze verbruiken ook minder water dat schaars is en andere hulpmiddelen. Omdat de opbrengsten gespreid zijn over een groot aantal kleinere landbouwbedrijven, helpt het de toenemende kloof tussen rijk en arm te verkleinen.

Ruimte voor groei

Maar dat alles sluit niet uit dat de kleinschaligere familiale landbouw een aantal grote stappen moet zetten. In tegenstelling tot wat Collier beweert, heeft het model van de familiale landbouw op de meeste plaatsen ter wereld nooit de ondersteuning gekregen die het verdiende. Het vertegenwoordigt nochtans de grote meerderheid van de landbouwers en van de tewerkstelling in de wereld. Daar waar boeren wel ondersteund werden - zoals in Zuidoost Azi - konden ze hun productie op punt stellen en creerden ze niet alleen tewerkstelling voor zichzelf. Nieuwe industrien ontwikkelden zich complementair aan een bloeiende familiale landbouw.

Tot die conclusie kwam ook het rapport “International Assessment of Agricultural Science and Technology for Development”. Specialisten van over de hele wereld bogen zich vier jaar lang over de landbouwproblematiek. De “moderne landbouw” zoals Collier die propageert, wordt er vervuilend en te duur bevonden. De IAASTD-onderzoekers pleiten voor een betere combinatie van lokale en traditionele kennis met de wetenschappelijke expertise die de landbouw nu grotendeels bepaalt.

De wereldmarkt brengt geen heil

Vandaag schreeuwen we moord en brand over de hoge voedselprijzen. Maar nog niet zo lang geleden, kelderden de prijzen van landbouwgrondstoffen wereldwijd. Het is een symptoom van een groter onderliggend probleem: de vrijgemaakte wereldmarkt voor landbouwproducten en de constante prijsschommelingen die dat met zich meebracht.

De armste bevolkingsgroepen die hun kost met landbouw verdienden, kwamen op de wereldmarkt in concurrentie met de industrile landbouw, die op subsidies kan rekenen van de eigen overheden. Veel landen in Afrika werden importlanden en probeerden geen eigen landbouw meer op te bouwen. De investeringen vielen stil en het gros van de bevolking dat van landbouw leefde, verpauperde verder.

Nochtans zijn die getroffen boeren met hun productiepotentieel meer dan ooit de oplossing van het probleem. Maar dan moeten ze wel de kans krijgen. Dat gaat alleen als ze kunnen werken in een stabiele marktomgeving, die stabielere prijzen en dus zekerdere inkomsten levert, waarmee ze verder kunnen investeren. Arme boeren in Afrika hebben ook niks aan GGO’s, omdat ze simpelweg te duur zijn. En los van bezorgdheden over milieu en gezondheid, wordt onze voedselproductie op die manier op een ontoelaatbare manier afhankelijk van een handvol multinationals die deze gepatenteerde technologien aanbieden.

Maar ze zijn wel geholpen met een goede lokale en regionale marktwerking. Die verdient de voorkeur boven de wereldmarkt. Overheden moeten kunnen beschikken over voedselsoevereiniteit, het recht om hun landbouw in eigen handen te nemen, in plaats van hun voedselproductie over te leveren aan de wereldmarkt die enkel onzekerheid brengt voor landbouwers. Op internationaal niveau moeten we tot afspraken durven komen voor stabiele en lonende prijzen voor landbouwgrondstoffen zoals koffie.

Als we Colliers uitspraak volgen en stoppen met de familiale landbouw, dan kunnen ook boeren in Belgi maar beter hun tractor definitief parkeren. Voor landbouwbedrijven van kmo-omvang is er dan geen plaats meer. Het zou een verlies betekenen op alle vlakken: economisch, ecologisch en sociaal.

Ondertekenaars van dit antwoord:
Jan Aertsen, Vredeseilanden - Marianne Vergeyle, Bioforum - Bogdan Vanden Berghe, 11.11.11 - Leen Laenens, Oxfam Wereldwinkels - Thierry Kesteloot, Oxfam-Solidariteit