Hoe de wereldwijde voedselcrisis overwinnen

In aanloop naar de top van de VN-organisatie voor landbouw en voedsel (FAO) in Rome van 3 tot 5 juni, publiceren een aantal Belgische ngo’s een gemeenschappelijke tekst over de wereldwijde voedselcrisis. Ze zetten de oorzaken ervan op een rijtje en stellen maatregelen voor om voedselzekerheid te bereiken en de voedselcrisis duurzaam te overwinnen.
Boycots en voedselonrust duiken op van Itali tot Indonesi, van Mexico tot Argentini, van Marokko tot Egypte, van West-Afrika tot Jemen. Het protest van hongerige stedelingen tegen stijgende voedselprijzen haalt, terecht, het nieuws. Dat is minder het geval voor wie in stilte van honger crepeert op het platteland.
Honger en ondervoeding zijn nooit verdwenen van de aardbol. Maar nu worden ze opnieuw groter, op het platteland n in de stad. De mondiale samenleving heeft zich de voorbije decennia zwaar in nesten gewerkt. Wat is er aan de hand, en wat zijn de goede oplossingen?
Als we horen over stijgende voedselprijzen, gaat dat bijna uitsluitend over granen en oliehoudende gewassen zoals soja. Graangewassen zoals rijst, tarwe, mas, gierst of sorghum vormen ook vandaag ht basisvoedsel van de mens. Vele mensen eten bijna niets anders dan granen.
Vragen of we genoeg te eten hebben, is vooral vragen of er genoeg graan verbouwd kan worden. Des te meer omdat ook de productie van heel wat vlees, melk, boter, kaas, eieren en van vis steunt op de beschikbaarheid van granen en oliehoudende gewassen. Even waar blijft dat genoeg te eten hebben, samenhangt met de vraag of mensen genoeg inkomen hebben.
De conjuncturele oorzaken van de voedselcrisis
2. Hoge brandstofprijzen Hogere brandstofprijzen maken het produceren en transporteren van voedsel duurder en dikwijls onbetaalbaar. Zowat alles wat we eten (95%) is gerelateerd aan fossiele brandstoffen. De kosten voor transport van bulkgoederen over zee zijn spectaculair gestegen, waardoor transport duurder wordt en landen ook zoeken naar leveranciers dichter bij huis.
3. Stijgende vraag naar vlees, vis en zuivel De wereldbevolking groeit nog een hele poos. En op verschillende plaatsen in de wereld breidt de middenklasse uit. Honderden miljoenen Chinezen, Indirs, Brazilianen en Russen hebben meer koopkracht en schakelen over op een vlees- en visrijk dieet. Vleesproductie vraagt erg veel landbouwgrond, water, graan en soja (als veevoeder).
4. Toegenomen vraag naar energiegewassen De productie van energiegewassen om auto’s te laten rijden, eist steeds meer graan op dat niet meer kan worden gegeten. Die groeiende vraag naar energiegewassen legt extra beslag op de landbouwproductie en werkt de prijsinflatie mee in de hand. Het onderzoeksinstituut IFPRI schat dat de vraag naar energiegewassen verantwoordelijk is voor dertig procent van de recente prijsinflatie voor voedsel.
5. Kredietcrisis en speculatie op de grondstoffenmarkt Het lage peil van de voedselvoorraden, de zwakke dollar en de kredietcrisis doen beleggers meer speculeren op de grondstoffenmarkten. Grondstoffen worden beschouwd als een nieuwe groeimarkt waar snel grote winsten kunnen worden geboekt. Een slechte oogst betekent voor banken en speculanten dus een in waarde stijgende portfolio.
6. Beschermende maatregelen van een aantal landen Ook nieuw is dat grote exportlanden hun uitvoer van voedsel beperken. Ze willen dat hun eigen bevolking genoeg te eten heeft. Maar landen die voor hun voedselvoorziening vooral afhankelijk zijn van import, zijn slachtoffer van de krapte op de wereldmarkt.
Verwaarlozing van de landbouw is de grondreden
De wereld heeft zijn voedselproductie en zijn boeren veel te lang verwaarloosd. Zowel de internationale fondsen als de investeringen van ontwikkelingslanden zelf in duurzame landbouw zijn zienderogen achteruitgegaan. Zo is de opbrengst van de Afrikaanse landbouw erg laag, zeker in vergelijking met andere regio’s in de wereld en dat is mee het gevolg van de structurele onderinvestering.
In de jaren ’60 en ’70 was er de druk van de industrile ontwikkeling, in de jaren ’80 waren er de opgelegde structurele aanpassingsprogramma’s. De essentile steun voor onderzoek en ontwikkeling van duurzame landbouwmodellen bleef uit. De boeren waren het grote slachtoffer: een lage opbrengst, weinig middelen voor eigen verwerking, slechte infrastructuur, dure transportkosten en een markt die overspoeld werd door goedkope buitenlands import, met uiteindelijk importafhankelijkheid.
In tal van regio’s in de wereld is de welvaart op het platteland in elkaar gestuikt. Vandaar de groei van boeren die landarbeiders worden en de massale migratie van verarmde boeren richting steden. Daar wonen ze nu al met anderhalf miljard in slums, met te weinig geld om menswaardig te kunnen leven. Zo belandt de wereld in een spiraal naar beneden, in een verlies-verlies-situatie, zowel voor de boeren als voor de armen in de stad.
Ook de gestegen prijzen – voor graan en oliehoudende zaden maar lang niet voor alle producten – zijn niet van aard om de meeste boeren en landarbeiders in de wereld een fatsoenlijk inkomen te bezorgen. De fel stijgende olieprijzen maken ook zowat alles wat de landbouw nodig heeft veel duurder en dikwijls onbetaalbaar. De boeren hebben geen geld om te investeren, ze zijn te weinig productief en de prijs die ze voor hun producten ontvangen is nog altijd veel minder dan enkele tientallen jaren geleden.
Van de stijgende prijzen voor de consumenten komt veel te weinig bij hen terecht. De boeren en landarbeiders hebben een te zwakke onderhandelingspositie ten opzichte van grote afnemers met veel marktmacht. De opbrengst blijft plakken bij de grote plantages, handelaars, verwerkingsbedrijven en de supermarktketens. Boeren die te weinig toegang hebben tot de nodige hulpbronnen om hun productie te verhogen, zoals grond, energie en water, kennis, (markt)informatie, technologie, blijven ook in de kou staan.
Grootschalige projecten, gestuurd vanuit de overheid of priv-bedrijven, beperken hun toegang tot de middelen om voedsel te produceren en schenden zo hun recht op voedsel. Of het nu gaat om stuwdammen, open mijnbouw, plantageprojecten, landbouwkolonisatie, grootschalige teelt van ggo’s (genetisch gewijzigde organismen), scampikwekerijen, de ontwikkeling van toeristische infrastructuur of van vrijhandelszones, telkens krijgen financile belangen voorrang, zonder rekening te houden met de gevolgen voor het milieu of voor de bevolking die van dat milieu afhangt om te overleven.
Resultaat, de landbouwers blijven de stiel verlaten en de meest verarmde worden in dienst genomen door grotere bedrijven of zien zich verplicht uit te wijken naar de talrijke en uitgebreide krottenwijken van de steden in ontwikkelingslanden, sommigen migreren verder tot in de rijke landen.
Heel moeizaam proberen ze in de stad aan de kost te komen, allesbehalve makkelijk. Want veel werk is er niet. Blijft de informele economie, maar die levert niet veel op. Slotsom: als ze al een inkomen hebben, is dat niet riant. Dan beginnen de voedselprijzen omhoog te gaan, een regelrechte aanslag op hun povere inkomen, zelfs op hun leven. Want anders dan op het platteland kunnen ze in de stad weinig of niets voor zichzelf kweken.
Deze mensen betalen twee keer voor het wanbeleid in de wereld, de eerste keer toen ze hun grond moesten verlaten, een tweede keer nu ze geen voedsel meer kunnen kopen wegens te duur. De hogere voedselprijzen worden extra hard gevoeld door de armsten, die vijftig tot tachtig procent van hun inkomen aan voedsel besteden.
Mondiale vrije landbouwhandel smaakt bitter
Hogere prijzen kunnen ook een stimulans zijn voor kleinschalige boeren om te moderniseren en hun productiviteit op te drijven. Nationale overheden zouden hen daarbij moeten ondersteunen. Als we een productieve landbouw willen die voldoende voedsel voortbrengt voor alle mensen op een duurzame wijze, zijn er dringende beslissingen op heel korte termijn te nemen.
1. De dringende voedselnoden lenigen Arme, voedselimporterende landen moeten over genoeg geld beschikken om aan de dringende voedselnoden te voldoen. Door geld vrij te maken voor het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties (WFP) en er hierbij over te waken dat zij het nodige voedsel eerst lokaal of regionaal aankopen, bezorgt het WFP de landbouwers ter plaatse of in de ruimere regio een beter inkomen, en worden de landbouwers gestimuleerd tot een hogere productie.
2. Geen onbedachtzame vrijhandelsakkoorden De toekomst van de landbouw mag niet gehypothekeerd worden door het onbedachtzaam afsluiten van vrijhandelsakkoorden. De Wereldhandelsorganisatie, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en alle landen die volledig vrije landbouwhandel voorstaan, moeten toch eens uitleggen hoe het komt dat alle rijke landen altijd hun eigen landbouw hebben beschermd – ook als dat betekent dat ze hun voedsel duurder betalen – en dat hen dat niet heeft belet om rijke landen te zijn. De rijke landen maakten hun beschermde landbouw net productiever, om daarop hun industrialisering en welvaart te bouwen.
3. Geen rode loper voor de agro-industrile landbouw Het is een mythe dat een op export gerichte industrile landbouw nodig is om de wereld te kunnen voeden. In Brazili, ht land van de agro-industrie, zijn de familiale boerenbedrijven die over voldoende middelen beschikken aanzienlijk productiever dan de industrile landbouwbedrijven.
De familiale boeren van tropisch Latijns-Amerika slagen erin om twintig tot zestig procent meer van de belangrijkste voedingsgewassen maniok, mas en bonen te produceren per hectare dan de monocultuur van de industrile landbouw. Ze creren ook meer werk, verdelen beter het inkomen en zijn ecologisch duurzamer. Voorwaarde hiertoe is dat de organisaties van familiale boeren die namens hun leden de belangen verdedigen, worden versterkt in hun rol als gesprekspartner.
4. De vraag naar energiegewassen moet stoppen Het kan niet dat de huidige productie van energiegewassen de productie van voedsel opeist. Overigens, ook voor het klimaat zijn energiegewassen contraproductief, het vernietigen van oerwoud brengt massa’s CO2 in de lucht, die we soms pas na meer dan 400 jaar terugverdienen.
5. Investeren met respect voor de lokale bevolking en het milieu Er mag geen geld genvesteerd worden in projecten die geen rekening houden met het recht op voedsel van de lokale bevolking of met de negatieve gevolgen voor het milieu. Denk aan zovele reuzenstuwdammen of aan de oprukkende palmolieplantages in Indonesi. Er moet zorgzamer worden omgesprongen met het natuurlijk kapitaal van de ontwikkelingslanden – vruchtbare landbouwgrond, watervoorraden, biodiversiteit.
Door een te groot beslag te leggen op de natuurlijke inputs, wordt ook de productiviteit van de landbouw op termijn aangetast. Vruchtbare landbouwgrond gaat verloren door niet aangepaste landbouwtechnieken, schaarse watervoorraden worden niet zorgvuldig benut, grootschalige veevoederteelt gaat vaak ten koste van lokale voedselproductie op familiale schaal, erosie en woestijnvorming zijn een enorme uitdaging voor veel Afrikaanse landen.
Er is een groot risico dat de zogenaamde Afrikaanse Groene Revolutie deze problemen alleen maar zal doen toenemen. Een bewuste keuze voor duurzame landbouwmethodes bij kennis- en technologieoverdracht, onderzoek en ontwikkeling als criteria voor buitenlandse investeringen is meer dan ooit nodig. Altijd moeten informatie en voorafgaandelijke inspraak voor de lokale bevolking gewaarborgd zijn en moet zij klachten kunnen indienen.
Hoe de familiale landbouw verdedigen?
Het rapport roept op tot een paradigmaverandering in het mondiale landbouwbeleid, een nieuwe landbouwrevolutie, en houdt een pleidooi voor een landbouw die veel minder afhangt van fossiele brandstoffen, steunt op de familiale landbouw en lokaal aanwezige grondstoffen en zich richt op natuurlijke processen zoals vruchtwisseling.
Om de duurzame, productieve familiale landbouw die we allemaal zo hard nodig hebben, helemaal op de sporen te krijgen, moet de wereld zo snel mogelijk het volgende beslissen:
1. Landen en regio’s moeten het recht en de kansen hebben om hun landbouw in eigen handen te nemen Zo vragen de Afrikaanse landen aan de WTO instrumenten te voorzien om het aanbod te beheersen. Ze willen ondersteuning om grondstoffen te verwerken in de ontwikkelingslanden zonder dat ze hierbij hogere importtaksen moeten vrezen. En ze vragen fondsen om te kunnen overschakelen naar alternatieve gewassen.
Zulke voedselsoevereiniteit geeft samenlevingen de kans om voorrang te geven aan het voortbrengen van voedsel voor hun bevolking en bijvoorbeeld dumping buiten te houden. Dit is geen pleidooi voor autarkie, wel de erkenning dat voor een goede economische ontwikkeling n duurzaamheid lokale en regionale marktwerking voorrang verdient boven de wereldmarkt.
Landbouw en voedselproductie kunnen niet louter door handelsregels binnen de WTO bepaald worden. Want eten is geen koopwaar zoal alle andere. Versterk daarom de slagkracht van de Wereldvoedselorganisatie FAO, bezorg hen het mandaat om te zorgen voor een duurzame landbouw en voor implementatie van het recht op voedsel in de wereld, zoals bepaald in de FAO Richtlijnen voor het recht op voedsel. Dit kan al op de eerstvolgende FAO top begin juni in Rome.
Ook andere internationale instellingen zoals WTO, IMF en Wereldbank moeten in elk geval een beleid voeren dat het recht op voedsel, en dus ook het recht op het reguleren van de landbouwmarkten, op geen enkele wijze ondermijnt.
2. Investeren in een productieve en duurzame familiale landbouw Een productieve familiale landbouw produceert vooreerst voedsel voor de lokale bevolking. De Belgische bilaterale en multilaterale budgetten voor landbouw in de internationale samenwerking zouden moeten opgetrokken worden tot vijftien procent, inclusief beleidsondersteuning van de nationale ministeries van landbouw en directe steun aan landbouworganisaties in ontwikkelingslanden.
3. Zorgen voor prijsstabiliteit en minimum leefbare prijzen Voor voedsel werkt de markt en zeker de wereldmarkt niet zo goed. Je krijgt namelijk fel schommelende en doorgaans veel te lage prijzen. Dus zijn er maatregelen of mechanismen nodig die leefbare prijzen verzekeren en die de voedselvoorraden beheren, omdat ook de landbouwopbrengsten zelf sterk kunnen wisselen van oogst tot oogst.
Waarom zijn wij wel verplicht olievoorraden maar geen voedselvoorraden aan te leggen? Is eten minder belangrijk dan olie? Daarom is het verstandig om opnieuw grondstoffenakkoorden af te sluiten zoals, bijvoorbeeld het koffieakkoord een tijdlang behoorlijk functioneerde. Voor koffieboeren waren de prijzen toen veel meer voorspelbaar en ze konden er beter van leven. Overigens betaalden de consumenten toen ook niet meer, integendeel.
4. De toegang en het duurzaam beheren van land, water en zaden veilig stellen Landbouw wordt gekenmerkt door een grote ongelijkheid in de toegang tot grond, water, zaden, krediet, infrastructuur. Deze ongelijke verdeling zorgt ervoor dat arme boeren verder gemarginaliseerd blijven en dat de beste gronden ingepalmd worden door kapitaalkrachtige producenten. Vrouwen zijn nog meer het slachtoffer van deze ongelijke verdeling. Maar eens dat je wel toegang hebt tot je land, moet je ook de kans krijgen om je land duurzaam te bewerken.
De competitie tussen boeren leidt in vele streken tot een situatie waar de vruchtbaarheid van de grond of de waterreserves dalen. Toegang tot grond, landbouwkrediet, aangepaste irrigatie-infrastructuur, verbeterd zaai- en pootgoed zijn slechts enkele voorbeelden van bestaande initiatieven die vertaling kunnen vinden in een beleid dat de familiale landbouw ondersteunt.
5. Diversificatie bevorderen Diversificatie is nodig om de negatieve gevolgen van specialisatie in een beperkt exportproduct te bestrijden. Als landbouwers verschillende soorten producten kweken, kunnen ze hun inkomensbasis differentiren en lopen ze minder risico’s. Ze zijn dan ook beter in staat plaatselijk te verwerken en in te staan voor productontwikkeling, kortom om meerwaarde te creren.
Ontwikkelingssamenwerking moet voldoende middelen reserveren voor capaciteitsopbouw en kennisversterking, zodat ontwikkelingslanden duurzame, kwaliteitsvolle productie op de markt kunnen brengen. Diversificatie kan gemakkelijker gebeuren als er middelen worden vrijgemaakt voor het versterken van infrastructuur, transport, verwerking en distributie voor de lokale markt.
6. Voldoende overleg tussen overheid, bedrijven en landbouworganisaties Schiet op met een duurzame voedselketen, van de boer tot de supermarkt, waarin boeren en landarbeiders verzekerd zijn van voldoende zeggingschap en inkomen. Zowel handelaars, verwerkende bedrijven als distributieketens zijn daar mee verantwoordelijk voor. Overleg tussen hen, overheid en landbouworganisaties kan erover waken dat landbouwers loon naar werken krijgen en in leefbare omstandigheden kunnen boeren.
Boerenorganisaties moeten dan wel een volwaardige plaats krijgen aan de onderhandelingstafel. Bedrijven hebben trouwens alle belang bij een duurzame voedselketen om te kunnen rekenen op een verzekerde toevoer van kwaliteitsvolle producten door de landbouwers. De sociale normen, en in het bijzonder het recht op vereniging en collectieve onderhandeling van landarbeiders moeten gerespecteerd worden.
Overheden spreken regels af over een minimale duurzaamheid in de voedselketen die alle bedrijven moeten respecteren. Zij waken er zeker over dat privbedrijven geen monopolistische macht verwerven, en er zeker geen misbruik van maken, niet ten aanzien van de boeren en evenmin ten aanzien van de consumenten.
7. Een duurzaam Europees landbouwbeleid In de Europese Unie moet een landbouwbeleid worden uitgebouwd dat voordelig is voor de landbouwers en de samenleving in Europa, en tegelijkertijd geen schade toebrengt aan landbouwers in het Zuiden. De beste manier om dit tot stand te brengen is aanbodbeheersing en marktregularisatie voor import en export, en met internalisering van alle externe ecologische en sociale kosten. Exportsubsidies moeten worden afgeschaft en ontwikkelingslanden moeten vandaag reeds de mogelijkheid krijgen om hun lokale markten te beschermen tegen goedkope import.
8. Duurzaam consumeren Als burgers-consumenten en als samenleving hebben we ten aanzien van landbouwers en platteland een verantwoordelijkheid. We kunnen en moeten meer doen om duurzame voedselketens te bevorderen en om de kloof te overbruggen met een familiale landbouw die vooral voor de lokale markt produceert.
Wie voedsel koopt in de langere keten van winkels en supermarkten kan meer en meer kiezen voor streekproducten, bio of fair trade. Tal van labels – vermijd wel de wildgroei – helpen ook om een duurzame voedingskeuze te maken, goed voor de boer en goed voor het milieu. Zo verduurzamen we de langere keten.
Laat ook de korte keten bloeien. Als consumenten kunnen we ervoor kiezen om ons eten rechtstreeks bij de boer te halen. We kopen op de boerderij, op de boerenmarkt of in boerenwinkels. In sommige streken kunnen we opteren voor groentenabonnementen of ons aansluiten bij een voedselteam. In gemeente, school, bedrijf, organisatie kunnen we inspelen op de korte keten en op duurzame producten. Het model van fair trade gemeenten kan daartoe inspireren.
Politici, overheden, bedrijven, boeren, landarbeiders en burgers-consumenten hebben elk hun verantwoordelijkheid. Om de huidige voedselcrisis te overwinnen, moeten ze alles doen wat in hun macht ligt, en wel onmiddellijk.
Ondertekenaars 11.11.11, Bioforum Vlaanderen, Broederlijk Delen, CNCD - 11.11.11, FIAN, Oxfam-Solidariteit, Oxfam-Wereldwinkels, SOS Faim, Velt, Vlaams Agrarisch Centrum, Voedselteams, Vredeseilanden, Wervel
Voor meer informatie:
Brigitte Gloire, namens Oxfam-Solidariteit lid van de Belgische delegatie op de FAO-top
tel. 02 501 67 53 — gsm: 0494 58 86 06 — brigitte.gloire (at) oxfamsol.be
Thierry Kesteloot, researcher landbouw en voedselsoevereiniteit, namens Oxfam-Solidariteit lid van de Belgische delegatie op de alternatieve top in Rome
tel. 02 501 67 55 — 0475 543 723 — thierry.kesteloot (at) oxfamsol.be
bezoek ook
www.foodsovereignty.org
www.fao.org/foodclimate


Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
