[Haïti: natuurrampen bestaan niet]

Aardbeving Haïti

27 januari 2010

Haïti: natuurrampen bestaan niet

80% van de Haïtiaanse bevolking moet leven met minder dan 2 dollar per dag. Meer dan 1 miljoen mensen (10% van de bevolking) is totaal afhankelijk van buitenlandse voedselhulp. De problemen van Haïti reiken verder dan deze aardbeving...

Een partnerorganisatie van Oxfam-Solidariteit in Latijns-Amerika daagde ons enkele jaren geleden uit met de provocatieve stelling dat ‘natuurrampen niet bestaan’. Bij de invloed van de mens op droogte en zelfs op de toenemende kracht en frequentie van orkanen kunnen we ons nog iets voorstellen, maar vulkaanuitbarstingen en aardbevingen zijn en blijven natuurfenomenen waar we niets aan kunnen veranderen.

Uiteraard gaat het daar niet over. Er zijn altijd overstromingen en aardbevingen geweest maar het aantal slachtoffers is voortdurend toegenomen. En daarin speelt menselijk handelen of falen een zeer grote rol. Hoeveel slachtoffers bij een ramp vallen, is vaak een gevolg van politieke keuzes.

De leegloop van het platteland

Waarom leven miljoenen mensen opeengepakt in de krottenwijken van een stad als Port-au-Prince? Als er geen toekomst zit in de landbouw dan zoeken de mensen de steden op. Sinds de jaren ‘80 hebben de opeenvolgende regeringen, onder druk van internationale instanties, de landbouwsector verwaarloosd.

Rijst illustreert welke impact de neoliberale politiek heeft gehad: 20 jaar geleden was Haïti vrijwel zelfvoorzienend, in 1995 werd de invoerheffing op rijst onder druk van het IMF en de Wereldbank verlaagd van 50 naar 3% en de eigen productie stortte in. De plaatselijke producenten konden niet concurreren met de dumping van vaak gesubsidieerd voedsel uit de VS.

Nu wordt 80% van de rijst ingevoerd. De werkgelegenheid van 60.000 mensen in de rijstsector ging verloren, slechts 300 werknemers lossen nu de rijst van een Amerikaans bedrijf die per boot aangevoerd wordt. En de neoliberale macro-economisten juichen want de wereldhandel groeit...

De vrijhandelsgolf van de jaren ’80 en ’90 in Latijns-Amerika verdreef miljoenen kleine boeren, boerinnen, handwerklui en hun families van het platteland. De achterblijvende landbouwers dreven de exploitatie van hun kleine perceeltjes op. En het totaal gebrek aan milieubeleid werkte een massale ontbossing in de hand waardoor Haïti nu een enorm erosieprobleem kent. De kwetsbaarheid van mens en natuur is compleet.

Baseballen, maquila en migratie

Op zoek naar een inkomen, trokken massaal veel families naar de grote steden, waar ze terecht kwamen in de informele straathandel of als goedkope arbeidskracht in de verwerkingsindustrie. In 1985 was Haïti de grootste uitvoerder ter wereld van... baseballen. Nu wordt kleding genaaid voor de export in zogenaamde maquilabedrijven waar het dagloon 3 dollar bedraagt. Vorig jaar stelde president Préval zijn veto tegen een loonsverhoging naar 5 dollar per dag omdat de maquilas dreigden te vertrekken.

Door het gebrek aan werk en de slechte arbeidsomstandigheden is ook een vijfde van de bevolking naar het buitenland getrokken (vooral de VS en de Dominicaanse Republiek). Naar schatting zou 80% van de professionele kaders in het buitenland verblijven. De migranten sturen geld naar hun achtergebleven familie, in 2005 was dat 1 miljard dollar of 10 maal meer dan in 1980.

De steden in Haïti waren niet voorzien op de toestroom van zoveel nieuwe mensen: de groeiende ongelijkheid deed de misdaad toenemen en het gebrek aan ruimtelijke ordening leidde tot een chaotische groei. De families bouwden een woning met goedkope materialen en zodra ze het zich konden permitteren, werd dat een huis van betonblokken, de ene verdieping na de andere… Dat leidde tot de dramatisch gevolgen van vandaag.

Afslanking van de Staat

De structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF en de Wereldbank en het neoliberale beleid dat door de Wereldhandelsorganisatie en de Europese Unie gepromoot wordt, hebben nog ingrijpender gevolgen. Het overheidsapparaat moest inkrimpen. Er moest bespaard en geprivatiseerd worden. Het staatsinkomen via belastingen maakte nog amper 10% uit van het BNP (2006). Overheidsinstellingen werden afgeslankt. Een kleine producent kon geen goedkoop krediet of vorming meer krijgen en ook niet genieten van programma’s voor landhervorming.

Vandaag beperkt de overheid in vele ontwikkelingslanden zich tot het garanderen van een stabiele omgeving voor buitenlandse investeringen. Sommige landen worden hoe langer hoe meer overgelaten aan de georganiseerde misdaad die doorvoerkanalen zoekt voor de handel in drugs, vrouwen, organen en andere lucratieve ‘goederen’. Haïti maar ook Guatemala zijn hiervan goede voorbeelden. Al te gemakkelijk wordt dan gesproken van ‘failed states’ om zo alle schuld in de schoenen van de lokale overheid te schuiven.

Uiteraard hebben ook despoten zoals de vroegere dictator Jean-Claude Duvalier boter op hun hoofd. Hij vergaarde meer dan 900 miljoen dollar, meer dan de toenmalige buitenlandse schuld van Haïti. Maar nadat hij in 1986 verdreven werd, heeft Frankrijk hem wel gastvrij onderdak verleend met zijn ‘spaarcenten’.

Een wereldwijd ‘contingency plan’

In die omstandigheden is het niet verwonderlijk dat de lokale overheid machteloos staat wanneer zich een grote ramp voordoet. Een aardbeving van 7 op de schaal van Richter zal in elk land dodelijke slachtoffers eisen, maar er zullen duidelijk minder doden vallen in Tokio dan in Port-au-Prince. Japan is immers voorbereid, er zijn veel meer middelen en de overheid functioneert.

De economische globalisering moet een politiek tegengewicht krijgen. Wereldwijd moeten overheden versterkt worden, de Staat moet functioneren en zijn verantwoordelijkheid kunnen opnemen tegenover de bevolking. Uiteraard moet ook op het niveau van elk land de nodige capaciteit bestaan. Dat impliceert dat met eigen middelen én met ontwikkelingsgeld waar het nodig is, in de eerste plaats lokale overheidscapaciteit moet opgebouwd worden. Dat zelfs arme landen dit kunnen waarmaken, wordt in elk orkaanseizoen bewezen door Cuba, het buurland van Haïti.

Op wereldschaal moet men kunnen ingrijpen wanneer zich dit soort catastrofes voordoet. Uiteraard zijn de Verenigde Naties daarvoor het best geplaatst, maar zij moeten de macht en de middelen krijgen. Ook om een wereldwijd ‘contingency plan’ op te stellen waardoor iedereen weet wat er te doen staat in geval van een dergelijke ramp, met voorraden die beschikbaar zijn, met hulpverleners die klaar staan.

Veel meer dan ontwikkelingshulp

Deze analyse maakt nog eens duidelijk dat dit soort problemen en het hele ontwikkelingsvraagstuk niet opgelost kunnen worden met ontwikkelingshulp alleen. Mensenrechten, inclusief socio-economische rechten, het recht op veiligheid en hulp in geval van crisis moeten het uitgangspunt zijn van elk beleid. Momenteel is het recht van de investeerder en aandeelhouder om winst te maken de prioriteit van het neoliberale model dat de globalisering stuurt.

Op korte termijn heeft Haïti hulp nodig, veel hulp. Maar tegelijk moet er aan programma’s van preventie en voorbereiding op noodsituaties gewerkt worden, aan waarschuwingssystemen, aan een betere ruimtelijke ordening. En vooral moeten overheden terug greep krijgen op de globalisering en de mogelijkheid en de middelen om aan duurzame ontwikkeling te werken.

Stefaan Declercq, Algemeen secretaris van Oxfam-Solidariteit