Voedselsoevereiniteit

9 april 2004

GGOs voor ontwikkelingslanden : een goede zaak voor het Noorden

Volgende maand organiseren de Verenigde Staten in Sacramento een "Ministeriƫle Conferentie en Expo rond Landbouwwetenschappen en -technologie". 180 landen worden erop uitgenodigd in een public relation oefening die de voordelen van de biotechnologie op de voorgrond moeten brengen. Maar naast deze overtuigingsoefening, is het eveneens een goede gelegenheid om druk uit te oefenen op ontwikkelingslanden die zich vragen stellen rond de commercialisering van genetisch gewijzigde organisme (GGOs).

De inzet van handel in GGOs wordt ondubbelzinnig aangetoond door de beslissing van de Verenigde Staten om klacht in te dienen tegen de Europese Unie bij de Wereldhandelsorganisatie. De Europese Unie heeft sinds enkele jaren, op basis van het voorzorgsbeginsel, een moratorium afgekondigd, die geen nieuwe GGOs op de Europese markten toelaat. Europa wil zich kunnen afschermen tegen potentile risico’s. Dit wordt als een oneerlijke handelspraktijk genterpreteerd door de Verenigde Staten. De Europese Unie daarentegen verdedigt het recht om voorzorgsmaatregelen zoals het moratorium, de etiketering of de traceerbaarheid van de GGO-productie te kunnen nemen. De VS samen met de enkele andere GGO producerende landen wil ontwikkelingslanden beletten dat zij het voorzorgsbeginsel zouden toepassen, ook door de dreiging van handelssancties.

Het debat rond GGOs wordt bij ons graag beschreven als een luxe van consumenten in rijkere landen, meer begaan met aseptische voeding, overdreven milieuzorg, onheilspellende voorspellingen terwijl er in het Zuiden honderden miljoenen mensen te lijden hebben van de honger. Dit is kostbare tijd die verloren gaat om de uitdaging van voedselproductie voor de komende generaties aan te gaan.

Dr Tewolde Egzhiaber, vooraanstaande onderhandelaar voor de Afrikaanse landen rond biodiversiteit ergert zich aan dit soort voorstellingen : "de armoede van het Zuiden misbruiken om de veralgemening van de GGO voedselproductie door transnationale ondernemingen en hun monopoliepositie te verrechtvaardigen, is niet alleen een doordachte leugen, maar staat in de weg om oplossingen te vinden voor onze armoedeproblemen". Want in het Zuiden bestaat er wel degelijk een debat rond GGOs en hun impact. Onderzoekers, boeren, consumenten- en milieuorganisaties, kerken, overheden steken hun nek uit en verdedigen de toepassing van het voorzorgsbeginsel. Voor velen beantwoorden zij niet aan de prioritaire noden, integendeel zij vormen een directe bedreiging op de fragiele landbouwsystemen die werk verschaffen aan de meerderheid van de bevolking, en dreigen de schaarse middelen voor de ondersteuning van een landbouwbeleid toe te kennen aan de verdere versterking van exportgerichte landbouw. Dikwijls ten koste van de lokale voedselvoorziening en van de uitsluiting van de grote massa van kleine boeren.

Ongetwijfeld wordt het GGO debat gekenmerkt door complexiteit en wetenschappelijke onzekerheden. Wetenschappelijk zijn er twee scholen die elkaar confronteren. Deze zijn trouwens ook terug te vinden in het breder maatschappelijk debat. De ene verdedigt dat gentechnologie niet substantieel verschilt met natuurlijke processen van genetische wijzigingen. De technologie laat enkel toe dit proces te controleren, te verbeteren en te versnellen. Al worden GGO’s vandaag hoofdzakelijk verbouwd in enkele landen (Verenigde Staten, Argentini, Canada en China), pleiten de verdedigers van GGOs dat de uitbreiding ervan naar ontwikkelingslanden essentieel is om de armen te voeden, om milieuschade te beperken en om duurzame landbouw te promoten. Deze benadering vindt ook zijn vertaling in de houding van de VS die menen dat er geen redenen zijn om GGOs van niet-GGO producten te scheiden. Maatregelen die uit voorzorg genomen worden, beschouwt de VS dan ook logischerwijze als een oneerlijke concurrentiepraktijk.

Anderen daarentegen beweren dat gentechnologie een niet evenaarde en onomkeerbare evolutie betekent waarvan de wetenschappen slechts een kleine sluier hebben kunnen ontrafelen. Door het overbrengen van genen naar niet verwante soorten, zelfs van planten naar dieren en omgekeerd, wordt de onvoorspelbaarheid nog vergroot. De effecten van de verspreiding van GGOs, van de overdracht van stuifmeel van GGOs naar aangrenzende velden, van opbouw van resistentie bij insecten, zijn vandaag nog niet te overzien, en zijn ook onomkeerbaar. Zij verdedigen dus ook de toepassing van het voorzorgsprinciepe op GGOs, zoals door de Europese Unie wordt toegepast door een moratorium uit te roepen op GGOs. Dit princiepe werd trouwens in een internationaal protocol erkend.

Dat de Europese markt nu niet toegankelijk is voor nieuwe GGOs, zoeken de producenten nieuwe wegen om hun productie aan de man te brengen. Het Zuiden biedt voor hen een oplossing door voedselhulp bij hongersnoden of andere rampen te bieden. Sinds jaren voeren de VS GGO voedselhulp uit, dikwijls zonder het eens te vermelden. Tot Zambia en andere Zuid-Afrikaanse landen eind 2002 in volle hongersnood die voedselhulp hebben geweigerd tot grote ergenis van de VS. Ze waren bezorgd over de risico’s voor de gezondheid, maar ook omdat ze vreesden dat de GGO-mas de honderden lokale masvariteien zouden bedreigen. Een aanslag op de mensheid zo stelde een VS ambtenaar de weigering, terwijl Zambia niet de financile middelen had om overvloed aan voedsel van het noorden naar het zuiden van het land te verplaatsen.

Enkele priv agro-industrile en farmaceutische bedrijven spelen een vooraanstaande rol in het onderzoek naar GGOs. Dit kunnen ze omdat hun gentechnologische "uitvinding" beschermd wordt door het patentrecht. Dit recht erkent dat de "uitvinder" de vruchten moet kunnen plukken van zijn werk door hem een intellectueel eigendomsrecht toe te kennen. Dit heeft verregaande gevolgen voor ontwikkelingslanden. Door het toeigenen van genetisch materiaal van -hoofdzakelijk - het Zuiden, is patentering in feite een plundering van biodiversiteit van het Zuiden naar het Noorden. Dit staat trouwens haaks op de traditionele uitwisseling van zaden en kennis, beschouwd in het Zuiden als gemeenschappelijk goed. Maar boeren krijgen door de commercialisering van gepatenteerde zaden steeds minder controle over hun zaaigoed, en vergroot hun afhankelijkheid ten opzichte van een handvol zaadproducenten die de wereldmarkt controleren. Contracten worden opgesteld die boeren beletten hun zaden te hergebruiken. Een vrije toegang tot zaden, die boeren sinds eeuwen hebben geselecteerd en veredeld wordt minder mogelijk gemaakt. Terwijl biodiversiteit maar te rapen valt, wordt zaad een koopwaar. Voor een meerderheid van boeren die te kampen hebben met armoede is dit onbetaalbaar.

Zijn GGOs dan wel noodzakelijk voor het Zuiden ?

De bestrijding van de honger is een prioriteit. Maar GGOs raken niet eens aan de oorzaken van honger in een wereld die bijna anderhalve ker de wereld kan voeden. De oorzaken hebben veeleer te maken met onvoldoende toegang tot land, tot eerlijke prijzen, tot krediet, irrigatie, infrastructuur, vorming, ... Met armoede dus. GGOs zullen armoede niet helpen bestrijden, integendeel ze beantwoorden meer aan verwachtingen van grootgrondbezitters en rijkere boeren die gericht zijn op exportgerichte landbouw (oa veevoeder voor Europa) dan aan de kleine boer. De ongelijke verdeling van middelen aanpakken, dat biedt meer kansen tot slagen.

Ongetwijfeld moet landbouwkundig onderzoek ook gericht zijn op technologische verbetering, op het verhogen van de productiviteit. Maar dat moet niet gepaard gaan met een verhoogde greep van de agro-industrie op de landbouw en de voedselketen. Onderzoek kan ook samen en door de boeren zelf gebeuren. Te weinig worden de boerenorganisaties in het Zuiden betrokken, zelf in het ontwerpen van het onderzoek, te weinig wordt er rekening gehouden met de inheemse kennis en praktijken. Diverse ervaringen leren ons dat de familiale landbouw in het Zuiden zelf de nodige inventiviteit heeft om antwoorden te vinden op vele problemen. Dit kan gaan over zaadveredelingsystemen door boeren in de Filippijnen, gentegreerde pestbestrijding die nu wereldwijd wordt gepromoot door de Verenigde Naties, gediversifieerde landbouw in Latijns-Amerika die productiever, aangepaster is en minder risico’s inhoudt. Wat is dan wel het nut van GGOs voor het Zuiden ?

Thierry Kesteloot - Oxfam-Solidariteit 17/5/2003