De inzet van Kopenhagen volgens klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele

Twee jaar geleden toonde de klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele zich in het magazine Globo optimistisch over het bereiken van een internationaal akkoord dat ambitieuzer is dan Kyoto. Aan de vooravond van Kopenhagen peilen we opnieuw naar de verwachtingen van de vice-voorzitter van het IPCC.
Artikel uit Globo Magazine nr. 28, "Een klimaat van onrechtvaardigheid", december 2009.
Zijn de uitstootverminderingen die de
EU en de VS vooropstellen niet onvoldoende
om de opwarming te beperken
onder de 2°C?
De doelstellingen
die op dit moment voorgesteld
worden zijn inderdaad niet ambitieus
genoeg, ook omdat de landen niet
hetzelfde referentiejaar gebruiken.
Noorwegen en Japan hebben hun doelstellingen
wel versterkt, dat is een stap
in de goede richting. Maar als we de som
nemen van alle aangekondigde beloftes
van de ontwikkelde landen komen we
niet aan de vermindering die nodig is.
We blijven zelfs ver onder de 35 tot 40%
die door het IPCC vooropgesteld wordt.
Met hoeveel graden zal de aarde dan
opwarmen?
Dat is moeilijk precies te voorspellen.
Als we niets doen spreken de scenario’s
die door het IPCC werden onderzocht
van een stijging van de temperatuur van
1,1 tot 6,4°C in vergelijking met 1990.
Dit is een ruime marge omdat we nog
met een dubbele onzekerheid zitten:
aan de ene kant weten we niet hoe de
technologie, de politiek en de bevolking
in een eeuw tijd zal evolueren. Aan de
andere kant geven de klimatologische
modellen voor een bepaald scenario een
veelvoud aan cijfers en niet één cijfer.
Worden die scenario’s niet steeds
pessimistischer?
Neen, de uitstootscenario’s zijn hetzelfde
gebleven als 10 jaar geleden. We zullen
ze wel binnenkort herbekijken. Waar
we een verslechtering zien, is in de scenario’s
die de impact van de klimaatevoluties
weergeven. Het IPCC-rapport van
2007 spreekt van ergere gevolgen van
de temperatuurstijging dan het rapport
van 2001. In de lente van 2009 heeft
een studie van het IPCC bovendien duidelijk
gemaakt dat er al een belangrijke
impact is vanaf 1,5°C en niet vanaf 2°C
zoals we in 2001 dachten.
Er wordt veel gepraat over de nefaste gevolgen van de klimaatopwarming voor de landen in het Zuiden, maar zijn die er ook voor het Noorden? Het zou een zware vergissing zijn om te denken dat de impact van de klimaatverandering zich beperkt tot de ontwikkelingslanden. Zij zullen natuurlijk erger getroffen worden omdat ze minder middelen hebben om zich voor te bereiden en aan te passen. Maar ook het Noorden zal de dans niet ontspringen.
Neem het voorbeeld van de hittegolf in de zomer van 2003: die heeft toen in Europa aan 50.000 mensen het leven gekost. Hittegolven zoals deze zullen de komende eeuw nog frequenter worden. We weten ook dat de Middellandse Zee door de klimaatopwarming zal uitdrogen. De problemen rond de watervoorraad zullen in die regio dus alleen maar erger worden.
Zal het gebrek aan water ook niet voor
grote migratiegolven zorgen in de
21ste eeuw?
Het gebrek aan water, maar ook de stijging
van het zeeniveau. In de Nijldelta
wonen bijvoorbeeld 10 miljoen mensen
op minder dan een meter boven
het zeeniveau. Het is heel moeilijk om
de migratie als gevolg van klimaatver-
anderingen goed in te schatten. De
migratiestroom zal zich waarschijnlijk
voornamelijk binnen de betreffende
regio’s afspelen, zoals dat ook vandaag
het geval is. Van het ene continent naar
een ander migreren is niet iets wat je
gemakkelijk doet en zeggen dat wij hier
overspoeld zullen worden door mensen
uit ontwikkelingslanden is een mythe
verspreiden.
In de aanloop naar Kopenhagen zeggen de ontwikkelingslanden heel duidelijk “No money, no deal”. Kunnen zij beter een slecht akkoord accepteren dan helemaal geen akkoord? Het is moeilijk om zich in de plaats te stellen van de verschillende spelers rond de tafel. In grote onderhandelingen zoals deze komt er altijd een deel theater bij kijken. Het is het spel van onderhandelen en dramatiseren. Je moet de verschillende aangekondigde standpunten met een korreltje zout nemen. Ze zullen nog veranderen in de loop van december en ze zullen nog veranderen tot 3 uur vóór de laatste vergadering, wanneer de onderhandelaars hun laatste kaarten op tafel leggen. Ik ben ervan overtuigd dat er op dat moment een akkoord komt.
Wat maakt u zo optimistisch?
Ik weet niet zeker of er een akkoord zal
zijn, maar ik kan me niet inbeelden dat
er geen zal zijn na al de energie en de
tijd die miljoenen mensen de laatste
drie jaar in de voorbereiding ervan hebben
gestoken.
Verder moeten we onderstrepen dat de onderhandelingen niet stoppen in Kopenhagen. Ze zijn drie jaar vóór de Conferentie van Rio begonnen, ze kenden een vervolg in Kyoto en op de klimaattoppen in Marrakech en Bali. Het akkoord in Kopenhagen zal niet alle problemen oplossen en op alle vragen antwoorden. De volgende maanden en jaren zullen de onderhandelingen elke keer weer hervat moeten worden om bepaalde punten uit te klaren en verder te gaan.
Veel mensen en organisaties zeggen: “Als we nu niets doen, stevenen we af op een catastrofe!” Wat denkt u? Ik ben altijd voorzichtig geweest ten opzichte van dit discours omdat men niet eeuwig kan blijven roepen dat het einde van de wereld in zicht is. Mensen raken dat beu en geloven het niet meer. Als we binnen twintig jaar zeggen: “We moeten volgend jaar een akkoord hebben anders is het binnen vijf jaar gedaan met de wereld”, en vijf jaar later is het einde van de wereld nog altijd niet aangebroken dan werkt dit contraproductief.
Dit gezegd zijnde, in Kopenhagen tot een akkoord komen is extreem belangrijk om het klimaat, de bevolking, en de ecosystemen te beschermen. Alle belangrijke beslissingsmakers zijn daar vandaag van overtuigd. Daarom geloof ik ook dat er in Kopenhagen een akkoord uit de bus zal komen.
Moet het geld voor de aanpassingen
in ontwikkelingslanden bovenop de
beloofde ontwikkelingshulp komen?
Voor mij is het heel duidelijk dat die
hulp additioneel is. Natuurlijk moet de
klimaatproblematiek in het ontwikkelingsbeleid
geïntegreerd worden, meer
nog dan nu al het geval is. Maar als we
over de geldsommen praten die nodig
zijn voor de aanpassing van ontwikkelingslanden,
moeten we duidelijk
maken dat het om het herstellen van
de schade gaat die voornamelijk veroorzaakt
werd door de uitstoot van de
ontwikkelde landen.
Door die historische verantwoordelijkheid en doordat zij gewoon veel meer middelen hebben lijkt het me logisch dat de rijke landen voor de financiële middelen van de landen in het Zuiden zorgen. Het gaat hier niet om hulp, maar om compensatie. Wie schade veroorzaakt, moet die herstellen. Dat principe passen we hier elke dag toe. Op internationaal niveau de schade herstellen van de vervuiling lijkt me dan ook meer dan logisch.
En als dit aan de hand van flexibele
mechanismen gebeurt,
is de compensatie dan nog altijd
waardevol?
De vraag die we ons hier moeten stellen
is: hoe kan er optimaal gebruik gemaakt
worden van budgetten. Heeft een staat
er binnen een gegeven budget niet alle
belang bij de reducties daar te behalen
waar ze het minst kosten?
Als het meer kost om de eigen uitstoot te verminderen dan om te investeren in een elektriciteitscentrale in Tanzania, waarmee dat land technologieën kan ontwikkelen die het energiebeleid efficiënter maken, waarom zou je dan het eerste doen? Het klimaat houdt zich niet bezig met de vraag of de vermindering in België of in Tanzania plaatsgevonden heeft.
Maar staan er geen limieten op dit
systeem?
Natuurlijk. We gaan niet alle uitstootverminderingen
op die manier kunnen
realiseren. Maar ik denk dat het systeem
zichzelf zal regelen. Zij die meer willen
uitstoten, moeten meer betalen en op
dat moment zullen ze zich wel de vraag
stellen of het niet goedkoper is om in
verminderingen in eigen land te investeren.
Dat lijkt cynisch maar is vanuit
economisch opzicht erg logisch.
Het probleem met flexibele mechanismen ligt niet in hun bestaan maar in het gebruik ervan: laksheid, een gebrek aan controle, enz. De landen die erin investeren, moeten van twee dingen zeker zijn: aan de ene kant moet de goede impact op het milieu bewezen zijn – er zijn al gevallen van twijfel geweest – en aan de andere kant moet het zeker zijn dat het project niet gerealiseerd had kunnen worden zonder internationale investeringen. Maar hoe kunnen we bewijzen dat een gastland niet zelf de intentie had om al in dat project te investeren? Het systeem is kwetsbaar voor manipulaties.
De grootste onrechtvaardigheid bevindt zich uiteindelijk op het niveau van de verdeling van de emissiequota’s (toegestane emissies per land) op wereldniveau. De verdeling kan op twee manieren verlopen. Ofwel door de huidige uitstoot per persoon en per land te verdelen – wat een inwoner van de VS toelaat 25 ton per jaar uit te stoten en een Afrikaan een halve ton – of op een meer rechtvaardige manier: door hetzelfde niveau te hanteren voor iedereen. In Kyoto zijn we van het eerste systeem vertrokken, genaamd “grandfathering”: we vroegen van de Europeanen om hun uitstoot met 8% te verminderen en de Amerikanen met 6%. Maar dit is absurd aangezien een Amerikaan in de praktijk twee keer meer uitstoot dan een Europeaan.
Hoe kan België een rol spelen in het
klimaatdossier als de verschillende
interne niveaus het nog niet eens
raken?
Het klopt dat de institutionele structuur
en de veelheid aan politieke verschillen
tussen het regionale en federale niveau
de zaken ingewikkeld maken, maar
België heeft zeker een rol te spelen. We
hebben geen keuze, aangezien België
in juli 2010 de Europese Raad voorzit en
volgend jaar een rol zal moeten spelen
op de “Conference of the Parties“ (de
jaarlijkse bijeenkomst van de landen die
het verdrag van Rio ondertekend hebben)
die zich onder het Belgische voorzitterschap
afspeelt.
Julie Fueyo Fernandez


Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
