Dakar-Verklaring: voor een solidair handels- en landbouwbeleid (Dakar, 21 mei 2003)
Bijeen in Dakar van 19 tot 21 mei 2003, op een paar maand van de cruciale vervaldatum van de WTO-onderhandelingen in Cancun, publiceren de vertegenwoordigers(sters) van de organisaties van boeren- en landbouwproducenten uit Afrika, Amerika, Aziƫ en Europa, de volgende verklaring:
I. De WTO-opvattingen: de omgekeerde wereld
De "liberalisering" van de landbouwhandel en de deregulering, die worden aangemoedigd door de WTO, het IMF, de vrijhandelsakkoorden, veroorzaken wereldwijd heel wat kommer en kwel: hongersnood, werkloosheid, ongelijkheid, armoede, aantasting van de natuurlijke rijkdommen nemen toe in de landbouwwereld en dan vooral in het Zuiden. Landbouwers worden gedwongen tot plattelandsvlucht en emigratie. Meer en meer palmt de transnationale agrovoedingsindustrie hun plaats en hun gronden in.
Door landbouw te onderwerpen aan wereldprijzen, vertrekt het WTO van een a priori, dat door de feiten wordt weerlegd: een wereldmarkt met aanvaardbare, uniforme resultaten voor alle landen. De landbouwprijzen zijn onstabiel, voortdurend laag en neigen eerder nog te verzwakken op lange termijn.
De WTO wil invoerbescherming verbieden, een instrument dat door iedereen, zelfs door arme landen, kan worden toegepast. Zij bevordert daarentegen wel instrumenten die alleen rijke landen kunnen gebruiken (steun losgekoppeld van de productie, opgenomen in de groene doos van de WTO). Dit laat onder meer het witwassen van dumping toe.
De hoofdprioriteit van de WTO is de verlaging van de landbouwprijzen en het gebeurt op twee manieren: op intern vlak, door verlaging van de douanetarieven, ontmanteling van de interne marktorganisatie,; op extern vlak, door de exportprioriteit, die de prijzen betaald aan de landbouwers neerdrukt.
De WTO moedig een maximale concurrentie aan tussen alle producenten: producenten verliezen; consumenten winnen niet: het zijn vooral de agrovoedingsindustrie en de groothandel die profiteren van de verlaging van de landbouwprijzen.
De WTO verzwakt de zwaksten in het voordeel van de sterksten.
II. Voor een landbouwbeleid gebaseerd op rechten
Het landbouwbeleid moet beantwoorden aan de fundamentele menselijke rechten en verwachtingen van de bevolking, vooral van de vrouwen:
recht op voedsel (gezond, volgens eigen cultuur,);
recht op het zelf produceren ervan;
toegang tot hulpbronnen (grond, zaad, water, krediet,);
milieurespect (duurzame productiewijzen, biodiversiteit);
rechtvaardigheid (recht op een billijk inkomen);
De markt kan niet garanderen dat deze rechten worden gerespecteerd. Het is de overheid, op lokaal vlak, binnen een land of een groep landen, die hiervoor verantwoordelijk is. Dit is de basis van voedselsoevereiniteit.
Om deze rechten binnen de landbouw te garanderen, zijn instrumenten zoals invoerbescherming en aanbodbeheersing noodzakelijk. Landbouwprijzen moeten de productiekosten dekken en ook een billijke vergoeding voor de landbouwer inhouden.
Financile middelen moeten beschikbaar blijven om de nodige infrastructuur en diensten uit te bouwen, vooral in de landen in het Zuiden.
Het exportdoel mag niet primeren op de fundamentele rechten, zowel in het land zelf als ten opzichte van de andere landen.
III. Voor een solidaire internationale handel
Handel is noodzakelijk, maar mag geen voorrang krijgen op fundamentele rechten.
De eerste solidariteitsvereiste is voorkomen dat de export de interne markten van de andere landen gaat destabiliseren. Prioriteit dient te worden verleend aan de bevoorrading van de interne markt.
Markttoegang dient te gebeuren zonder deregulering van de markt van het invoerland. Elk vorm van dumping is te vermijden.
Landbouwsubsidies, toegekend op basis van de rechten en de verwachtingen van de bevolking, zijn legitiem, op voorwaarde dat zij niet dienen om de export te bevorderen.
Handelsregels mogen een land niet beletten een duurzaam productiesysteem aan te moedigen, gebaseerd op familiale bedrijven.
Er moet op de internationale markten overleg komen en er moet gezorgd worden voor aanbodbeheersing. In het bijzonder voor de producten die meestal bestemd zijn voor de export (koffie, cacao,) moeten er gezamenlijke acties komen van de productie- en consumptielanden om de markten te stabiliseren en rechtvaardige prijzen te verzekeren. Preferentile invoerakkoorden kunnen eveneens een positieve rol spelen, onder meer voor kleine landen met een kwetsbare economie.
De legitieme keuzes van een bevolking, die bijvoorbeeld GGO’s, hormonen, zou weigeren, moeten voorrang krijgen op de belangen van handelsfirma’s en gerespecteerd worden door de internationale handelsregels.
***
Gezien de risico’s verbonden aan de huidige WTO-onderhandelingen en om de hierboven vermelde keuzes te verdedigen, is een zo groot mogelijke mobilisatie van boerenorganisaties en andere organisaties uit de civiele maatschappij noodzakelijk en dringend. Aan de regeringen wordt gevraagd de WTO-opvattingen en -voorstellen te weigeren en in Cancun het principe van voedselsoevereiniteit te verdedigen.


Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
