Banda Atjeh: een lach en een traan...
Door Isabelle Delforges, Banda Atjeh (Indonesië), voor Oxfam-Solidariteit.
Op de oostkust van Atjeh, de minst door de tsunami getroffen kust, zijn er in bijna alle dorpen vluchtelingenkampen opgetrokken. De moskeen dienen vaak als schuilplaats, de regering heeft tenten geleverd en voedingsmiddelen verdeeld. In Menasa Blang, aan het eind van een steegje, ligt een armtierig kamp bestaande uit twee grote tenten naast een gebouw in aanbouw. 600 personen leven er sinds de tsunami. De vrouwen lachen wanneer ze ons zien, de kinderen lopen naar ons toe, iedereen haast zich, het is alsof de bekende glimlach van de Aziaten alle problemen wegvaagt.
De groep neemt ons mee naar het strand 500 meter verderop, daar waar hun huizen waren, hun boten, hun levens. Het strand is enorm en desolaat. Van de 200 huizen blijft er niets over. Een oude vrouw toont ons een kleine deur uit bamboe op het strand, de enige aanwijzing dat er voor 26 december een heel dorp stond. De lachende gezichten verdwijnen wanneer we door het vernietigde dorp lopen. Iedereen wijst parcelen aan onder de dennen langs het strand: "Daar was mijn huis", "ik leefde daar", "de keuken", "ik sliep hier". Alleen zand blijft over.
In Menasa Blang kwamen er maar’ drie kinderen om in de ramp. Iedereen is weggevlucht. Een oude man met een gegroefde huid vertelt dat hij de golf heeft zien aankomen en dat hij in een kokospalm is geklommen. Vanuit de hoogte heeft hij gezien hoe zijn dorp op vijf minuten verzwolgen werd. Men zegt: "Er zijn maar drie doden." Men zegt: “Zij hebben geluk gehad.” Maar wat is geluk? Zelfs wanneer de straten niet bezaaid zijn met lijken blijft de ontreddering enorm.
Er is natuurlijk de ontreddering van zij die alles verloren hebben: hun huis, hun goederen, hun boot, hun netten, hun werk. Maar bovendien heerst er angst en wanhoop. De vissers van Menasa Blang willen niet meer vissen. Zij willen hun leven niet heropbouwen bij de zee. Zij weten niet wat te doen of waar naartoe te gaan. Vandaag regeren de angst en de slapeloosheid op Atjeh. Een van de eerste woorden die je hoort als je er aankomt is "trauma".
Het trauma van zij die de aarde hebben voelen beven, van zij die de reusachtige golf gezien hebben, van zij die al schreeuwend zijn gevlucht, van zij die het hebben overleefd. Sommigen slapen niet meer. Sommigen willen niet meer spreken. Zij vluchten wanneer de hulpteams hen benaderen. Geruchten over een nieuwe tsunami circuleren elke dag. Gisteren (12 januari) zijn tientallen mensen op de vlucht geslagen in het gebied van Banda Atjeh toen een nieuwe vloedgolf aangekondigd werd. Het leger spoorde de inwoners aan om te vluchten. Vals alarm.
Zelfs in de steden die weinig schade opliepen zijn de winkels gesloten omwille van het trauma, talrijke activiteiten liggen stil. Elk proces van wederopbouw zal deze verschrikkelijke psychologische kost in rekening moeten nemen.
Talrijke teams van artsen en psychologen proberen om de overlevenden te helpen. De Indonesische organisaties van de solidariteitscoalitie KSKBA (Humanitair en solidair team voor de tsunami in Atjeh en Noord-Sumatra) hebben het onderwerp aangesneden met een groep ulamas’, Islamitische wijzen bij wie de bevolking hulp zoekt voor spirituele en persoonlijke vragen. Maar Indra Lubis, woordvoerder van het FSPI, de Indonesische Boerenfederatie, zegt: "Het is nog te vroeg om het probleem van het trauma aan te pakken. Het is te emotioneel en we zijn er niet op voorzien om met zo’n situatie om te gaan. Meteen na de ramp hebben de ulamas in eerste instantie instructies gegeven over de manier waarop de lijken volgens Islamitische regels moeten behandeld worden. Maar er blijft nog een enorme taak te vervullen om het gebied weer op te bouwen en de inwoners opnieuw vertrouwen in de toekomst te geven.

]
Facebook
Twitter
YouTube
Flickr
Newsletter
